Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Canadese boomklever
Canadese boomklever | Sitta canadensis
Red-breasted Nuthatch | Sita canadiense
De Canadese boomklever is een kleine, kortstaartige klimvogel van het naaldbos: blauwgrijs van boven, roestbruin van onderen, met een zwarte streep dwars door het oog onder een witte wenkbrauw. Hij hakt zijn nestholte zelf uit in dood hout en smeert daarna hars rond de ingang, die hij met een stukje bast in de snavel aanbrengt. Mislukt de kegeloogst in het naaldbos, dan trekken er in het najaar duizenden naar het zuiden, tot aan de Golfkust.
Geluid
Het geluid dat je het eerst opvalt is een hoog, nasaal ienk-ienk-ienk, alsof er op een speelgoedtrompetje wordt geblazen; het is ijler, sneller en een stuk hoger dan het toeteren van de witborstboomklever. Hij herhaalt het in reeksen van drie tot acht tonen, vaak van hoog uit een spar, en gaat er de hele winter mee door. Bij het foerageren houden paren contact met een zacht, kort it dat alleen van dichtbij draagt. In het voorjaar wordt de reeks sneller en gelijkmatiger en gaat hij als zang dienstdoen, meestal vanaf een kale toptak.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Waterton Park, Improvement District No. 4, Alberta, Canada · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een zwarte kruin en nek, een witte wenkbrauw en daaronder een zwarte streep dwars door het oog, een witte keel en wang, blauwgrijze bovendelen en roestbruine tot kaneelkleurige onderdelen. Het vrouwtje is op dezelfde manier getekend, maar de kruin is leiblauw in plaats van zwart en de onderzijde bleker, meer okerkleurig. Jonge vogels lijken op het vrouwtje en zijn nog matter van tekening. De bouw is die van alle boomklevers: grote kop, geen hals, een rechte spitse snavel en een staart die zo kort is dat hij bij het klimmen nergens op steunt. Hij loopt even makkelijk met de kop omlaag als omhoog en werkt zich langs takken tot in de uiterste naalden. De vlucht is kort en diep golvend, van boom naar boom.
Verwarringssoorten
De witborstboomklever (Sitta carolinensis) is groter, heeft een geheel wit gezicht zonder oogstreep en een witte onderzijde met hooguit wat roest onder de staart. De Amerikaanse boomkruiper klimt alleen omhoog, steunt op zijn staart, is bruin gestreept en heeft een dunne gebogen snavel. De Amerikaanse matkop en de carolinamees dragen ook een zwarte pet, maar daarbij een zwarte keelvlek, en ze hangen aan takuiteinden in plaats van over de bast te lopen. De Amerikaanse goudhaan zit in hetzelfde naaldbos en is even klein, maar is olijfgroen met twee witte vleugelstrepen en een gele kruin, en hij fladdert aan de naaldpunten in plaats van te klimmen.
Leefgebied
Naaldbos van fijnspar, hemlock, zilverspar en douglas: het boreale bos van Canada, het bergbos van het westen en de hemlockhellingen van de Appalachen. Waar naaldbomen tussen loofbos staan volstaat een enkele groep, want wat hij zoekt zijn de kegels en de schorsspleten, niet de boomsoort op zich. Voor het nest heeft hij staand dood hout nodig — een dode berk, een rotte stomp — zacht genoeg om uit te hakken. Buiten de broedtijd, en vooral in trekjaren, komt hij in tuinen, parken en begraafplaatsen waar één spar of den staat, en op voederplanken. Open land, kaal akkerland en zuiver loofbos in het laagland gebruikt hij in de zomer niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van het zuiden van Alaska door het boreale bos van Canada tot Newfoundland, zuidwaarts in de bergen tot Arizona en New Mexico en in de Appalachen tot North Carolina, met een aparte groep standvogels in de Sierra San Pedro Mártir in Neder-Californië. In een groot deel van dat gebied blijft hij het hele jaar op zijn plek. Ongeveer om het jaar, wanneer sparren en hemlocks weinig kegels dragen, verlaat een deel van de vogels het broedgebied al in juli en augustus en bereikt in het najaar de Golfkust, de woestijnstaten en Florida; uit zulke jaren komen ook de waarnemingen ver buiten het areaal, tot een vogel die in 1989 in Engeland opdook. In het oosten is hij in de twintigste eeuw talrijker geworden en zuidelijker gaan broeden naarmate aangeplante sparren en hemlocks ouder werden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem met je oren: in naaldbos draagt het nasale toeteren tientallen meters, en pas daarna vind je de vogel zelf, meestal hoog in de kroon en met de kop omlaag. In de winter is een voederplank met zonnebloempitten naast een groep sparren de zekerste plek; hij komt korter en vaker dan de mezen, pakt één pit en klemt die in een schorsspleet. Let in augustus en september op losse naaldbomen buiten het bos — in trekjaren zitten ze juist daar.
Staat van instandhouding
Talrijk en over de hele linie toenemend; de tellingen wijzen op een populatie in de orde van twintig miljoen vogels. Het kappen van oud naaldbos en het opruimen van staand dood hout nemen hem nestgelegenheid af; waar dode stammen blijven staan, blijft hij. In trekjaren komen er veel om tegen de ruiten van huizen met een voederplaats.
Wetenschappelijke naam
Sitta canadensis | Linnaeus, 1766
Linnaeus beschreef de soort in 1766, in de twaalfde uitgave van zijn Systema Naturae, als Sitta canadensis — het geslacht waarin ze nog altijd staat, en daarom blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Sitta werd door Linnaeus in 1758 ingevoerd en gaat terug op het Griekse sittē, de naam die Aristoteles gebruikte voor een vogel die tegen stammen opklom. canadensis betekent 'van Canada'; als typelocatie staat dan ook eenvoudig Canada opgegeven. De Nederlandse en de Spaanse naam volgen die typelocatie, de Engelse wijst op de roestbruine onderzijde.



