Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Bossneeuwhoen

Bossneeuwhoen | Canachites canadensis

Spruce Grouse | Gallo Canadiense

Het bossneeuwhoen is de hoenvogel van het donkere naaldwoud van het hoge noorden, een en al camouflage tussen de sparren tot het mannetje in de balts zijn felrode wenkbrauwkam ontplooit. Hij is zo weinig schuw voor mensen dat hij in de volksmond 'fool hen' heet — dwaze hen — en soms met de hand te naderen is. Anders dan de sneeuwhoenders van de kale toendra leeft hij het hele jaar in gesloten bos.

Bossneeuwhoen (Canachites canadensis)
Foto: Baetsen, Richard — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje balst met een zachte reeks doffe, klokkende tonen, vaak nauwelijks hoorbaar op enige afstand, en soms aangevuld met een kort roffelend geklap van de vleugels tijdens een korte sprong van tak naar tak. Bij verstoring maakt het weinig geluid; het loopt eerder weg of blijft doodstil zitten dan dat het roept. De stem is daarmee de zachtste en minst opvallende van alle hoenvogels in deze gids, passend bij een vogel die overleeft door onopgemerkt te blijven.

Luister: RoepXC389928

Opname: Thomas Magarian — CC BY-NC-SA 4.0 · Two Medicine, GNP, Glacier County, Montana, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is grotendeels zwartgrijs met een zwarte keel en borst, omzoomd met wit, en een rode, vlezige wenkbrauwkam boven het oog die tijdens de balts opzwelt. Het vrouwtje is warm roestbruin tot grijs gevlekt, sterk variabel van kleur, en mist de rode kam grotendeels. Beide geslachten hebben een relatief lange, ronde, donkere staart, vaak met een smalle roodbruine bandering aan de punt. Het silhouet is gedrongen met een kleine kop en een korte snavel, aangepast aan een dieet van naaldjes.

Verwarrings­soorten

Het blauw sneeuwhoen en het grauw sneeuwhoen (Dendragapus obscurus en Dendragapus fuliginosus) van de westelijke bergbossen zijn groter en donkerder blauwgrijs, zonder de scherpe zwart-witte borsttekening van het mannetje bossneeuwhoen, en missen de rode wenkbrauwkam grotendeels buiten de balts. Het kraaghoen (Bonasa umbellus) van gemengd bos is roodbruiner, heeft een waaierbare kraag rond de hals in plaats van een rode oogkam en een duidelijk gebande in plaats van effen staart. Vrouwtjes van deze soorten lijken onderling het meest op elkaar en worden vooral op leefgebied en verspreiding uit elkaar gehouden.

Leefgebied

Het bossneeuwhoen leeft in het boreale naaldwoud, vooral in jonge tot middeloude opstanden van spar met een dichte ondergroei van struikjes en mos, en in de venige, drassige 'muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada)'-bossen die in het noorden overheersen. In de bergen van het westen komt het ook voor in naaldbos hoog tegen de boomgrens, waar het dicht bij het lage krummholz (kromme, door wind gedrukte boomgroei aan de boomgrens) blijft. Open toendra en kaal rotsland, het domein van de sneeuwhoenders, mijdt het volledig; het heeft juist een gesloten kruinlaag nodig als dekking tegen roofvogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel over vrijwel de gehele boreale naaldwoudgordel van Noord-Amerika: van Alaska door heel Canada tot Newfoundland en Labrador, en zuidwaarts in de Verenigde Staten tot in het noorden van New England, de Adirondacks van New York, de Grote Meren-staten en de naaldbossen van de noordelijke Rocky Mountains tot in Oregon en Washington. De soort verplaatst zich nauwelijks: individuele vogels blijven doorgaans hun leven lang binnen enkele honderden meters van hun geboorteplek. Op Newfoundland is de soort in de twintigste eeuw met succes uitgezet in gebieden waar hij van nature ontbrak.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop stil door jong sparrenbos in de vroege ochtend en kijk naar beweging op de bosbodem in plaats van te luisteren — dit is de stilste hoenvogel van het continent. Wie een vogel vindt, kan vaak dichterbij komen dan bij enig ander wild hoen: het bossneeuwhoen vertrouwt op zijn schutkleur en blijft zitten tot je er bijna langsloopt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op continentale schaal, maar plaatselijk afgenomen aan de zuidrand van het areaal, waar houtkap van oud naaldbos en de omvorming naar loofbos zijn leefgebied versnipperen. In de kern van het boreale woud, waar weinig bos wordt gekapt, blijven de aantallen stabiel.

Wetenschappelijke naam

Canachites canadensis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tetrao canadensis, bij de hoenders van het geslacht Tetrao; sinds ze in een ander geslacht is geplaatst staan auteur en jaartal tussen haakjes. Deze soort staat tegenwoordig in het geslacht Canachites, Grieks voor 'ruisend' of 'klinkend', naar het roffelende geklapper van de vleugels tijdens de baltssprong — veel oudere bronnen gebruiken nog het geslacht Falcipennis. canadensis betekent 'uit Canada', naar de typelocatie aan de Hudsonbaai.