Alle soorten › Zangvogels › Lachvogels › Borstbandlijstergaai
Borstbandlijstergaai | Pterorhinus pectoralis
Greater Necklaced Laughingthrush | Charlatán acollarado grande
De borstbandlijstergaai is een grote, langstaartige zangvogel uit de bossen van de Himalaya en Zuidoost-Azië die in het begin van de twintigste eeuw op Kauaʻi is losgelaten en daar is blijven hangen. Binnen het gidsgebied komt hij alleen op dat ene Hawaïaanse eiland voor, in nat laagland- en heuvelbos langs beken.
Geluid
De zang is een reeks luide, heldere fluittonen, korter en minder gevarieerd dan die van de witbrauwlijstergaai, waarmee hij op Kauaʻi het bos deelt. Daarnaast klinkt een ratelend, kakelend gekwetter waaraan de leden van een groepje elkaar in het dichte struikgewas volgen; dat geluid is meestal het eerste teken dat de soort in de buurt is. Ook alarmroepen zijn hard en schetterend, met meerdere vogels tegelijk.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Song Phi Nong, Kaeng Krachan District, Phetchaburi, Thailand · xeno-canto
Herkenning
Een fors gebouwde vogel met bruine bovendelen, roomwitte onderdelen en een lange, afgeronde staart met een bleke band vlak voor de punt. Over de borst loopt een zwarte band die als een halsketting doortrekt tot in de halszijden. De witte wangvlek is gestreept en helemaal omsloten door zwart, dat ook als een brede streep door en achter het oog loopt. Het oog zelf is donker, de snavel zwaar en zwart, de poten stevig. Beide geslachten zijn gelijk.
Verwarringssoorten
Op Kauaʻi is de witbrauwlijstergaai de vogel waarmee je hem kunt verwisselen: die is kaneelbruin, mist de zwarte borstband en heeft een witte oogring die achter het oog in een streep doorloopt. De Japanse nachtegaal is veel kleiner en heeft een rode snavel en gele keel. In Azië lijkt de kleine borstbandlijstergaai sterk op deze soort, maar die heeft een lichter, geel tot wit oog en een wangvlek die aan de onderkant open blijft; die soort komt in Noord-Amerika niet voor.
Leefgebied
Vochtig bos in het laagland en op de heuvels, vaak in de buurt van stromend water, met een dichte onderlaag waarin hij de meeste tijd doorbrengt. Op Kauaʻi gaat het om beboste valleien en ravijnen met ingevoerde bomen en struiken, om bosranden en om de begroeide zoom van paden en akkerranden. Hij foerageert vooral op en vlak boven de grond, waar hij in het strooisel wroet en bladeren omdraait, meestal in groepjes van een handvol vogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het oorspronkelijke areaal loopt van Nepal en Noordoost-India oostwaarts door Bhutan, Bangladesh, Myanmar, Zuid-China, Thailand, Laos en Vietnam. De Hawaïaanse populatie gaat terug op vogels die rond 1918 op Kauaʻi werden losgelaten; die vestigden zich in het noorden en oosten van het eiland en zijn daar gebleven. Op de andere Hawaïaanse eilanden heeft de soort zich niet gevestigd, en het areaal op Kauaʻi is sindsdien nauwelijks uitgebreid.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op Kauaʻi langs bospaden als de Kuilau Ridge Trail of rond Hanalei, vroeg op de ochtend. Ga op het geluid af en niet op het zicht: de vogels blijven in de dekking en verraden zich door hun gekwetter voordat ze oversteken. Blijf staan bij een open plek in het pad — een groepje steekt meestal één voor één laag over.
Staat van instandhouding
In Azië is de soort wijdverbreid en talrijk en staat hij als niet bedreigd (LC) te boek, al wordt hij in delen van China en Indochina voor de kooivogelhandel gevangen. De populatie op Kauaʻi is klein en plaatselijk en wordt niet apart geteld of beheerd. Over de gevolgen voor de inheemse Hawaïaanse vogels is weinig bekend; de soort eet vooral ongewervelden en vruchten van ingevoerde planten en leeft lager dan de resterende inheemse bosvogels.
Wetenschappelijke naam
Pterorhinus pectoralis | (Gould, 1836)
Gould beschreef de soort in 1836 als Ianthocincla pectoralis, naar een exemplaar uit Nepal; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterorhinus werd in 1868 ingevoerd door Robert Swinhoe, uit het Griekse pteron 'veer' en rhis, rhinos 'neus': de neusgaten gaan bij deze vogels schuil onder borstelveertjes. De soortnaam pectoralis is Latijn voor 'van de borst', naar de zwarte borstband, die ook in de Nederlandse en de Engelse naam terugkomt.



