Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Bobolink

Bobolink | Dolichonyx oryzivorus

Bobolink | Charlatán

De bobolink is de enige Noord-Amerikaanse zangvogel die in broedkleed donker van onderen en licht van boven is: het mannetje is zwart met een geelwitte nek en witte schouders en stuit. Hij broedt in hooiland en grasland van het noorden van de Verenigde Staten en Zuid-Canada en overwintert op de graslanden en rijstvelden van Zuid-Amerika, tot in Argentinië. Van dat winterareaal ligt vrijwel niets binnen dit gidsgebied; wat je hier ziet is een broedvogel of een doortrekker.

Bobolink (Dolichonyx oryzivorus)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snelle, bubbelende reeks metaalachtige, oplopende notities die over elkaar heen buitelen en die de Engelse naam heeft opgeleverd. Het mannetje zingt hem in een zangvlucht met snelle, ondiepe vleugelslagen laag boven het gras, en ook vanaf een hekpaal of een stengel. De contactroep op trek is een helder, stijgend pink dat vooral 's nachts boven overvliegende vogels te horen is; in het najaar is dat roepje vaak de enige aanwijzing dat er bobolinks passeren.

Luister: VluchtroepXC1014902

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Québec, Capitale-Nationale, Québec, Canada · xeno-canto

Herkenning

Het broedmannetje is zwart op kop, gezicht en hele onderzijde, met een geelwitte tot okerkleurige nekvlek, witte schouderstrepen en een witte stuit — het patroon staat precies omgekeerd op de gebruikelijke tekening van een zangvogel. Het vrouwtje is okerbruin met donkere streping op rug en flanken, een donkere kruinstreep met een lichte middenstreep en een ongestreepte, warmgele borst. De snavel is kort en kegelvormig, de staart heeft spitse, puntig uitlopende pennen. Na het broedseizoen ruit het mannetje volledig en lijkt het dan op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

In najaarskleed is de soort te verwarren met gorzen van open grasland, maar de puntige staartpennen, de korte kegelsnavel, de duidelijke lichte middenstreep over een donkere kruin en de ongestreepte okergele borst zijn samen doorslaggevend. Vrouwelijke troepialen zijn groter en hebben een lange spitse snavel. Het zwarte broedmannetje kan alleen vluchtig met een zwarte troepiaal of met het zwarte mannetje van de prairiegors worden verward; geen van beide heeft een lichte nek in combinatie met een witte stuit en zwarte onderzijde. Op trek verraadt het stijgende pink-roepje de soort ook zonder zicht.

Leefgebied

Oorspronkelijk hooggrasprairie en natte zeggeweide; tegenwoordig vooral hooiland, klaver- en luzernevelden, extensief beweide graslanden en bermbrede graslandstroken, met een voorkeur voor een mengsel van grassen en kruiden en een vochtige bodem. In het westen gebruikt hij geïrrigeerde hooivelden in valleien. Op trek verschijnt hij in rijstvelden, moerasruigten en akkerranden; op de doortrek langs de Golfkust en in de Caraïben is rijst en graszaad zijn belangrijkste voedsel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Zuidoost-Brits-Columbia en de prairieprovincies oostwaarts tot de Maritieme Provincies, en in de Verenigde Staten van Washington, Idaho en Montana tot de Grote Meren en New England, met een zuidgrens rond Maryland, West Virginia en de Appalachen. De trek gaat grotendeels via Florida en de West-Indische eilanden naar Noord-Zuid-Amerika en vervolgens naar de graslanden van Bolivia, Paraguay en Argentinië. Binnen dit gidsgebied is de soort daardoor in de winter vrijwel afwezig, terwijl hij in mei en van augustus tot oktober in de zuidoostelijke staten, op Cuba, Jamaica en de Bahama's en langs de Caraïbische kust van Colombia en Venezuela doortrekt.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste kans is eind mei en juni in een hooiland dat nog niet gemaaid is: ga in de vroege ochtend langs de rand staan en wacht op de zangvlucht van het mannetje boven het gras. In het najaar is de soort onopvallend; luister dan op trekdagen naar het korte, stijgende pink boven akkers en rietruigte.

Staat van instandhouding

De soort staat op de Rode Lijst als gevoelig (NT). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 10 miljoen vogels; de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2023 een afname van ongeveer 63 procent zien, waarmee de bobolink op de Amerikaanse lijst van kantelpuntsoorten staat. In Vermont nam het aantal tussen 1966 en 2007 met ongeveer 75 procent af. De belangrijkste oorzaak is de omzetting van hooiland naar maïs en soja en het vervroegen en herhalen van de maaidatum, waardoor nesten worden vernietigd; tien tot elf dagen later maaien verhoogt het broedsucces aanzienlijk. In de negentiende eeuw werd de soort in de rijstvelden van de zuidelijke staten in grote aantallen geschoten, en ook nu wordt hij in Zuid-Amerika plaatselijk als rijstplaag bestreden.

Wetenschappelijke naam

Dolichonyx oryzivorus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla oryzivora, met de typelocatie later beperkt tot South Carolina; omdat ze nu in een ander geslacht staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dolichonyx werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse dolichos 'lang' en onux 'nagel', naar de lange nagel van de achterteen. De soortnaam betekent 'rijstetend', van het Latijnse oryza 'rijst' en vorare 'verslinden', naar de vogels die in de rijstvelden van de zuidelijke staten foerageerden; daar heetten ze dan ook ricebird. De Engelse naam bobolink geeft de zang weer, de Spaanse naam charlatán 'babbelaar' eveneens.