Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Antilliaanse treurduif
Antilliaanse treurduif | Zenaida aurita
Zenaida Dove | Zenaida Caribeña
De Antilliaanse treurduif is de gewone duif van de Caraïbische eilanden en in Noord-Amerika een hoge zeldzaamheid: een gedrongen, warmbruine duif met een korte, recht afgesneden staart en een witte rand langs de achterrand van de vleugel. In de vroege negentiende eeuw broedde hij nog op de Florida Keys; sindsdien wordt hij er nog maar zelden gezien, met maar weinig aanvaarde gevallen. Wie hem in het gidsgebied ziet, kijkt vrijwel zeker naar een vogel die van Cuba of de Bahama's is overgestoken.
Geluid
De roep is een klagend gekoer van vijf lettergrepen, koe-OE-oe koe koe, dat sterk op dat van de treurduif lijkt maar sneller wordt uitgesproken en waarvan de eerste noot minder duidelijk buigt. Hij roept vooral in de vroege ochtend en tegen de avond, meestal verscholen in dicht bladerdek en zelden vanaf een open tak. Op de eilanden hoort een bezoeker hem daardoor veel vaker dan hij hem ziet. Buiten de broedtijd is de soort grotendeels zwijgzaam.
Opname: Garrett Yocklin — CC BY-NC-SA 4.0 · Bouton, Soufrière, St Lucia · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen, warm roodbruine duif met een klein kopje, korte vleugels en een korte, recht afgesneden staart. Op de gevouwen vleugel staan enkele zwarte vlekken, en langs de achterrand van de vleugel loopt een witte rand die op de zittende vogel als een klein wit streepje zichtbaar is en in de vlucht als een witte lijn oplicht. Over de wang lopen twee korte zwarte streepjes; bij goed licht toont de hals een violette glans en rond het oog ligt blauwe kale huid. De poten zijn rood. Vrouwtjes zijn iets doffer dan mannetjes, en jonge vogels zijn grauwer en schubbig getekend, zonder glans.
Verwarringssoorten
De treurduif (Zenaida macroura) is slanker, heeft een lange, spits toelopende staart met witte randen en mist het wit in de vleugel volledig. De witvleugeltreurduif (Z. asiatica) is groter en grijzer en draagt een brede witte band over de vleugeldekveren, niet alleen een smalle rand langs de achterrand van de vleugel. De rotsduif is forser, korter van staart en nooit warmbruin. Bij een overvliegende vogel is de witte achterrand van de vleugel het snelst te zien.
Leefgebied
Hij houdt van laag, halfopen land: kustduinen met struweel, droog bos en bosranden, plantages, en het groen van tuinen, parken en hotelterreinen. Ook de rand van mangrove hoort erbij, en op sommige eilanden zoekt hij zijn voedsel langs paden en wegbermen. Gesloten regenwoud en het hoge binnenland mijdt hij; hij is een vogel van de kustvlakte. Zijn zaden raapt hij lopend van de grond, en bij verstoring vliegt hij laag en snel het struweel in.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel op vrijwel alle eilanden van de Grote en Kleine Antillen, op de Bahama's, de Caymaneilanden en de Turks- en Caicoseilanden, en langs de Caraïbische rand van het schiereiland Yucatán, met inbegrip van Cozumel. Binnen het gidsgebied is hij een grote zeldzaamheid: de waarnemingen komen vrijwel allemaal uit het zuiden van Florida en de Keys, verspreid over het jaar met een nadruk op voorjaar en vroege zomer. In de tijd van Audubon broedde de soort nog op de Keys; die broedvogels zijn in de negentiende eeuw verdwenen en niet teruggekeerd. Op de eilanden zelf is het areaal onveranderd en de vogel algemeen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek op de Florida Keys tussen april en juni tussen de groepjes treurduiven op open grond: een kortere, recht afgesneden staart valt tussen al die spitse staarten meteen op. Laat de vogel opvliegen en let op de witte achterrand van de vleugel — dat is het enige kenmerk dat op afstand zonder twijfel werkt.
Staat van instandhouding
Op de eilanden is de soort talrijk en het aantal stabiel; de Rode Lijst classificeert hem als niet bedreigd (LC). Op verscheidene eilanden wordt hij als wild bejaagd, en het verdwijnen van droog kustbos verkleint zijn leefgebied plaatselijk. Voor Noord-Amerika valt er geen populatie te tellen: hij is en blijft een gast van overzee.
Wetenschappelijke naam
Zenaida aurita | (Temminck, 1809)
Temminck beschreef de soort in 1809 als Columba aurita, in het algemene duivengeslacht; Bonaparte voerde in 1838 het geslacht Zenaida in, genoemd naar zijn echtgenote Zénaïde — vandaar de haakjes om auteur en jaartal. De soortnaam aurita is Latijn voor 'geoord' en verwijst naar de zwarte streepjes op de oorstreek. Het beschreven exemplaar kwam van Martinique. Temminck publiceerde de naam in zijn plaatwerk over duiven, Les Pigeons, bij plaat 25.



