Alle soorten › Steltloperachtigen › Kluten › Amerikaanse kluut
Amerikaanse kluut | Recurvirostra americana
American Avocet | Avoceta americana
De Amerikaanse kluut is op afstand al te herkennen: zwart-wit getekend, op lange blauwgrijze poten, met een dunne zwarte snavel die als een sabel omhoog krult. In de broedtijd kleuren kop en hals warm roestoranje; in de winter blijft daar niets van over. Hij broedt bij de zoutmeren en regenplassen van het binnenland en overwintert met duizenden tegelijk op de slikken en zoutpannen van de kust.
Geluid
De roep is een hard, nasaal wiet met een klagende ondertoon, dat om de paar seconden wordt herhaald. Nadert er iemand het nest, dan wordt die roep sneller, hoger en dringender, en nemen de buurvogels hem over tot boven de hele plas hetzelfde geluid hangt. Ook onderweg roepen de vogels, zodat een overtrekkende groep vaak eerder te horen dan te zien is. Op het nest en tijdens de balts klinken zachte, korte klikjes die alleen van dichtbij te horen zijn.
Opname: Craig Robertson — CC BY-NC-SA 4.0 · Bear River Migratory Bird Refuge (near Brigham City), Box Elder County, Utah, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote, slanke steltloper met een naar verhouding lange hals, lange blauwgrijze poten en een dunne, zwarte, duidelijk opgewipte snavel. Het verenkleed is scherp zwart-wit: over de rug lopen twee brede zwarte banen, de vleugel is boven zwart met een grote witte vlek, en de rest van het lichaam is wit. In het broedkleed zijn kop, hals en borst warm roestoranje; buiten de broedtijd worden die effen wit met een grijze waas over kruin en nek. Het vrouwtje is te herkennen aan een kortere snavel die sterker en abrupter omhoog buigt dan die van het mannetje, dat een langere, gelijkmatiger gebogen snavel heeft. In de vlucht steken de poten ver achter de staart uit en is het zwart-witte vleugelpatroon van grote afstand te zien.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse steltkluut (Himantopus mexicanus) staat vaak in dezelfde plas: zwart van boven en wit van onder, met een kaarsrechte naaldsnavel en buitensporig lange roze poten. De kluut van Europa (Recurvirostra avosetta), aan de oostkust een enkele keer als dwaalgast vastgesteld, heeft in alle kleden een witte hals met een zwarte kap en wordt nooit roestbruin. Een groep marmergrutto's (Limosa fedoa) kan in de winter op afstand voor kluten doorgaan, maar de grutto is warmbruin, heeft een veel dikkere, tweekleurige snavel en mist het zwart-wit in de vleugel. Wie twijfelt, wacht tot de vogels opvliegen: dat vleugelpatroon heeft geen andere steltloper van het gebied.
Leefgebied
Ondiepe, vaak zoute of alkalische wateren: de randen van zoutmeren, tijdelijke regenplassen op de prairie, zoutpannen, ingedijkte zoutwinningsbekkens en de slikken van riviermondingen. Op de broedplaats gaat het om open, kale of schaars begroeide oevers en eilandjes, zonder hoge begroeiing waarin een roofdier zich kan verschuilen. In de winter komt hij ook op rijstvelden, ondergelopen weiland en de rioolwaterbekkens bij steden. Diep water, dichte begroeiing en beschaduwde oevers gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in het westen en het midden van het werelddeel, van Zuid-Brits-Columbia, Alberta en Saskatchewan zuidwaarts door het Grote Bekken en de noordelijke prairies tot Texas en Noord-Mexico. Overwintert aan de kust van Californië, langs de Golf van Mexico, in Florida en langs beide kusten van Mexico, en in kleiner aantal tot in Guatemala, Honduras en Nicaragua en op Cuba. In de negentiende eeuw broedde hij aanzienlijk verder naar het oosten, tot in Wisconsin en Illinois; met de ontwatering van de moerassen verdween hij daar. Aan de Atlantische kust is hij sinds de jaren zeventig juist toegenomen als wintergast, met groepen tot in de Carolina's. Het Grote Zoutmeer in Utah is het belangrijkste verzamelpunt: daar zitten in de nazomer tienduizenden vogels tegelijk.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in augustus of september naar een zoutmeer of een zoutwinningsbekken en zoek naar een dichte, witte groep in ondiep water: kluten foerageren in gelid en bewegen allemaal in hetzelfde ritme, wat op afstand meteen opvalt. Ga daarna zitten en kijk naar één vogel: aan de kromming van de snavel is te zien of het een mannetje of een vrouwtje is, wat bij weinig steltlopers aan de snavel te zien is. In mei zijn op dezelfde plas de roestoranje koppen te zien, die vanaf juli alweer verbleken.
Staat van instandhouding
De populatie wordt op ongeveer 450.000 vogels geschat en is sinds de jaren zestig ongeveer gelijk gebleven. Het grootste verlies ligt verder terug, bij de drooglegging van de moerassen van het Midwesten, waardoor het broedgebied naar het westen kromp. De huidige zorgen zijn van chemische aard: selenium uit landbouwafvoerwater en kwik uit de verbranding van steenkool hopen zich op in de ondiepe bekkens waar de vogel broedt, met misvormde embryo's tot gevolg. Daarbij komt dat de zoutmeren van het westen, en het Grote Zoutmeer voorop, door wateronttrekking en droogte hard terugvallen.
Wetenschappelijke naam
Recurvirostra americana | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in Recurvirostra, het geslacht dat Linnaeus in 1758 had ingevoerd; omdat ze sindsdien niet is verhuisd, staan auteur en jaartal zonder haakjes. De geslachtsnaam is samengesteld uit het Latijnse recurvus 'achterwaarts gebogen' en rostrum 'snavel', en beschrijft precies wat de vogel van andere steltlopers onderscheidt. americana betekent 'Amerikaans'. Gmelin gaf als herkomst 'Noord-Amerika en Nieuw-Holland', dat wil zeggen Australië; dat laatste berustte op een vergissing, en de typelocatie is later tot Noord-Amerika beperkt.




