Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Amerikaans purperhoen
Amerikaans purperhoen | Porphyrio martinica
Purple Gallinule | Gallineta Morada
Het Amerikaans purperhoen loopt over drijvende waterlelies alsof het vaste grond is: paarsblauw van kop tot borst, bronsgroen op rug en vleugels, met een lichtblauw voorhoofdschild boven een rode snavel met gele punt. De poten en de lange tenen zijn geel en verdelen het gewicht over de bladeren. Van alle moerashoenders van het continent zwerft hij het verst buiten zijn areaal — er zijn vondsten tot in Canada, IJsland en Zuid-Afrika.
Geluid
Het geluid is een reeks harde, keelklinkende en kakelende tonen, meestal in korte salvo's van enkele seconden: kek-kek-kek, met daartussen een schor kèrr en een nasaal geblaf. Losse, scherpe kek-roepen dienen als alarm en klinken op het moment dat een vogel in de zegge wegduikt. Het geheel is hoger en droger dan het geroep van het Amerikaans waterhoen en mist de lachende, dalende reeks daarvan. Er wordt het meest geroepen rond zonsopgang en zonsondergang, en in warme nachten ook in het donker.
Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · entre laguna Paikawe y Sinchi Warmi, Tena, Napo, Ecuador · xeno-canto
Herkenning
De volwassen vogel heeft kop, hals en onderdelen diep paarsblauw met een turkooizen glans, en rug en vleugels bronsgroen; in zonlicht verschuift die kleur van groen naar blauw. Het voorhoofdschild is lichtblauw, de snavel rood met een gele punt, en de poten en tenen zijn helder geel. Onder de staart zit een zuiver wit vlak, dat bij elke stap zichtbaar wordt doordat de korte staart omhoog wipt. Man en vrouw zien er hetzelfde uit; het vrouwtje is gemiddeld iets kleiner. Jonge vogels zijn warm zandbruin met olijfbronzen vleugels, een dofgroene snavel en vale poten, maar het witte vlak onder de staart hebben ze al; in hun eerste jaar komen er blauwe vlekken op borst en flanken bij. In vlucht steken de poten ver achter de staart uit, en met de lange tenen klimt hij in struiken en rietstengels.
Verwarringssoorten
De volwassen vogel is met niets te verwisselen; alleen de jonge vogels lijken op andere soorten. Een jong Amerikaans waterhoen is grijzer, heeft een gebroken witte streep over de flank en onder de staart twee witte vlakken met een zwarte streep ertussen, terwijl het jonge purperhoen warm zandbruin is, geen flankstreep heeft en het wit onder de staart onverdeeld laat. De purperkoet van Zuid-Florida is bijna twee keer zo zwaar, met een grijsblauwe kop, een fors rood schild en roodoranje poten. Een jonge leljacana loopt op dezelfde bladeren, maar is donkerbruin van boven met een witte wenkbrauwstreep en toont in vlucht een grote gele vleugelvlek.
Leefgebied
Zoetwatermoerassen met een dichte laag drijvende bladeren — waterlelie, lotus, waterhyacint, snoekkruid — en daartussen opstaande zegge, lisdodde en riet. Op die bladeren zoekt hij zaden, knoppen, slakken en kikkers; zonder drijvend blad om overheen te lopen is een moeras voor hem van weinig waarde. Ook rijstvelden, kanalen, visvijvers en de begroeide randen van moerasbos worden gebruikt. Zout water mijdt hij, en diep open water zonder planten gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In de Verenigde Staten broedt hij van Oost-Texas langs de Golfkust tot Florida en noordwaarts tot South Carolina en Arkansas; alleen op het schiereiland van Florida blijft een deel van de vogels de winter over. De rest trekt weg naar Mexico, Midden-Amerika, de Antillen en Zuid-Amerika, waar de soort het hele jaar aanwezig is; ten zuiden van dit gidsgebied loopt het areaal door tot in noordelijk Argentinië. Buiten de broedtijd zwerft hij ver: er zijn waarnemingen tot in Canada, op de Galápagos, in IJsland en in zuidelijk Afrika, vaak in jaren dat de moerassen in het kerngebied droogvallen. Het broedgebied in de Verenigde Staten is kleiner geworden naarmate de kustmoerassen zijn drooggelegd.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem tussen mei en augustus aan de rand van een vijver of moeras met veel drijvend blad, in de Golfstaten en Florida; de ochtend is het beste moment. Volg de rand van het blad met de kijker: een klimmende vogel op een stengel van snoekkruid valt eerder op dan een lopende. Op afstand is het opwippende witte vlak onder de staart het teken waaraan je hem herkent, ook als de kleuren nog niet uitkomen.
Staat van instandhouding
De Noord-Amerikaanse populatie wordt op ongeveer 390.000 vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd (LC). Het droogleggen en volbouwen van zoetwatermoerassen heeft het areaal in de Verenigde Staten teruggedrongen, en waar drijvende waterplanten met bestrijdingsmiddelen worden opgeruimd verdwijnt zijn loopvlak. Rijstvelden en aangelegde waterbergingen leveren daartegenover nieuwe broedplaatsen op.
Wetenschappelijke naam
Porphyrio martinica | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Fulica martinica, in de twaalfde uitgave van zijn Systema Naturae; omdat ze later naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Porphyrio gaat terug op het Griekse porphyrion, de naam van een purperen watervogel bij de klassieke schrijvers, bij porphyra ('purperverf'). martinica verwijst naar Martinique, het eiland in de Kleine Antillen waar het beschreven exemplaar vandaan kwam. Het geslacht Porphyrio werd in 1760 ingevoerd door Brisson.




