Alle soorten › Uilen
Uilen | Strigiformes
Owls | Rapaces nocturnas
Uilen zijn overwegend nachtactieve jagers met grote, naar voren gerichte ogen voor scherp zicht bij weinig licht, en een gezichtssluier van stijve veertjes die geluid naar de asymmetrisch geplaatste oren leidt — zo kunnen ze een prooi in het duister nauwkeurig lokaliseren op het gehoor alleen. De rand van de buitenste slagpennen is kamvormig gerafeld, waardoor de vlucht vrijwel geluidloos is en de prooi de aanval niet hoort naderen. De poten zijn krachtig, met scherpe klauwen en een draaibare buitenteen; de prooi wordt in zijn geheel of in grote stukken doorgeslikt, en onverteerbare resten als botjes en haren worden als braakbal uitgespuwd. Uilen bouwen zelf geen nest en broeden in een boomholte, een oud roofvogelnest of op de grond; het vrouwtje is doorgaans groter dan het mannetje, en de donzige jongen zijn nestblijvers.
Families in deze orde
- Kerkuilen | Tytonidae1 soortDe gezichtssluier is hartvormig en scherp omrand door een stijve kraag van korte veertjes; de asymmetrie die het bepalen van de hoogte van een geluid mogelijk maakt, zit hier niet in de schedel maar in beweegbare huidplooien voor de oren. De ogen zijn klein en donker, de kop smal, de poten lang en dun bevederd, en de nagel van de middelste teen heeft een kamvormig gekartelde rand waarmee de sluier wordt gekamd en schoongehouden. Er wordt niet geroepen maar geschreeuwd: een lang, schor, doordringend gekrijs, waar uit het nest een snurkend, blazend gesis van de jongen bij hoort; bij bedreiging wiegt de vogel met gespreide vleugels heen en weer en klapt hij met de snavel. Gejaagd wordt zoekend en laag over open grasland, in een trage, zwabberende vlucht met bungelende poten, of luisterend vanaf een paal. Het menu bestaat vrijwel geheel uit muizen en woelmuizen, en de legselgrootte volgt de muizenstand: in goede jaren worden grote legsels en soms twee broedsels grootgebracht. Onder een vaste rustplaats hoopt zich een berg braakballen op.
- Echte uilen | Strigidae18 soortenBij de meeste soorten begint het vrouwtje al met broeden na het eerste ei, zodat de jongen na elkaar en met een aantal dagen verschil uitkomen; in jaren met weinig voedsel overleven dan vooral de oudste kuikens. De holenuil wijkt af van de meeste verwanten door niet in een boomholte maar ondergronds te broeden, in gangen die door prairiehonden of dassen zijn gegraven. Pluimen op de kop dienen bij de meeste soorten niet om beter te horen maar om de omtrek van het lichaam te verbreken en zo als stemmingssignaal richting soortgenoten en indringers. Voorafgaand aan de paring brengt het mannetje het vrouwtje herhaaldelijk prooien als geschenk, een gewoonte die de paarband versterkt en het vrouwtje in goede conditie voor het broedseizoen brengt.