Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula utricularioides

Pinguicula utricularioides

Van alle soorten in deze gids is dit waarschijnlijk de minst geziene: Pinguicula utricularioides is bekend van één verzameling, gedaan door Thomas MacDougall in 1956 op de Cerro Azul in oostelijk Oaxaca, en pas in 1991 als soort beschreven. Sindsdien is de plant niet met zekerheid teruggevonden, en in cultuur is hij nooit geweest.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een plant met een zeer ongewone bladvorm voor dit geslacht, en vandaar de soortnaam: het zomerblad bestaat uit een lange, dunne bladsteel van 10 tot 25 mm met daaraan een kleine, vrijwel ronde bladschijf van slechts 2 tot 4 mm doorsnede — een bouw die eerder aan sommige Utricularia-soorten doet denken dan aan een vetblad. De winterrozet bestaat uit smalle blaadjes van 5 tot 20 mm lang en 1 tot 2,5 mm breed. De bloem is scharlakenrood en 27 tot 37 mm lang inclusief de betrekkelijk korte spoor van 5 tot 8 mm. Rood is bij Mexicaanse vetbladen zeldzaam, en in combinatie met de gesteelde, ronde bladschijfjes is deze soort onmiskenbaar.

Gelijkende soorten

De andere roodbloeiende Mexicaanse soort is Pinguicula laueana, uit de Sierra Mixe in hetzelfde deelstaat; die is aanzienlijk forser, heeft brede, gewone vetbladbladeren en een spoor van vier tot vierenhalve centimeter tegenover hooguit acht millimeter hier. Het verschil is dus zowel in blad als in spoor volstrekt duidelijk. Geen enkele andere soort in Mexico heeft de lange bladsteel met het kleine ronde schijfje. Wie meent deze soort te zien, moet vooral goed fotograferen en de vindplaats vastleggen.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een opvallend klein oppervlak. Met een bladschijf van twee tot vier millimeter doorsnede is het vangbare oppervlak per blad minimaal, al compenseert de plant dat waarschijnlijk met een groter aantal bladeren op lange steeltjes, verspreid door het mos. Op het schijfje staan de gebruikelijke twee kliertypen: gesteelde klieren die met een kleverige druppel de prooi vasthouden, en zittende klieren die enzymen afgeven zodra er contact is. Over de werkelijke prooisamenstelling is niets gepubliceerd; gezien de afmetingen kan het alleen om zeer kleine insecten en springstaarten gaan.

Standplaats en ecologie

Over de standplaats is weinig bekend. De enige verzameling komt van de Cerro Azul ten noorden van Niltepec in oostelijk Oaxaca, op een hoogte die in de oorspronkelijke opgave als zesduizend tot zevenduizend voet staat — ruwweg achttienhonderd tot eenentwintighonderd meter. Dat is de zone van vochtig bergbos en nevelwoud in dit deel van de Sierra Madre del Sur (B1, R1). De gesteelde bladeren wijzen op groei tussen mos of in een losse, vochtige laag, waar een gewone platte rozet minder goed uit de voeten kan. Meer is met de huidige gegevens niet te zeggen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Mexico en bekend van één plek in Oaxaca: de Cerro Azul ten noorden van Niltepec. Onze soortenlijst noemt Mexico, en de literatuur is preciezer: oostelijk Oaxaca. Het gaat hier om een soort die alleen in de vorm van herbariummateriaal uit 1956 bestaat. Of de populatie nog aanwezig is, is niet vastgesteld; er zijn geen gepubliceerde hervondsten. Dat plaatst de soort in een aparte categorie binnen deze gids: bekend, beschreven, maar in het veld sinds zeventig jaar niet bevestigd.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Omdat er van deze soort maar één verzameling bestaat, is er over variatie in het wild eenvoudigweg niets te zeggen. Er zijn geen variëteiten beschreven en er is geen materiaal waarmee populaties onderling kunnen worden vergeleken. Ook over natuurlijke kruisingen is niets bekend, en of er op de Cerro Azul andere vetbladen voorkomen waarmee kruising mogelijk zou zijn, is niet gepubliceerd. Dit is dus een geval waarin het ontbreken van waargenomen variatie niets zegt over de soort en alles over de dunheid van het dossier.

Waar en wanneer te zien

Voor de veldwaarnemer is dit vooral een opdracht in plaats van een tip: wie in oostelijk Oaxaca in het bergbos rond de Cerro Azul loopt, kan uitkijken naar kleine rode vetbladbloemen boven de mosvegetatie. Zoek op beschaduwde, permanent vochtige hellingen en taluds tussen achttienhonderd en tweeëntwintighonderd meter. Neem geen planten mee: een hervondst is van waarde als foto, coördinaat en datum, niet als herbariumvel. Meld een waarneming bij een Mexicaans herbarium of bij een lokale botanische instelling.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Dit is binnen deze groep het extreemste geval van een leeg dossier: één verzameling uit 1956, één beschrijving uit 1991, en sindsdien geen bevestigde waarneming. Dat betekent niet dat de soort verdwenen is — het bergland van oostelijk Oaxaca is groot en slecht onderzocht — maar het betekent wel dat er over haar toestand niets te zeggen valt. Het bergbos in dat gebied staat onder druk van houtkap en omzetting naar landbouw. De eerste stap is hier eenvoudig: terugzoeken op de oorspronkelijke vindplaats.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula utricularioides | Zamudio & Rzedowski, 1991

Beschreven door Sergio Zamudio en Jerzy Rzedowski in 1991, in het artikel "Dos especies nuevas de Pinguicula (Lentibulariaceae) del estado de Oaxaca, México", Acta Botánica Mexicana 14: 23–32, op basis van materiaal dat T. MacDougall in 1956 verzamelde. De typelocatie ligt op de Cerro Azul, ten noorden van Niltepec, in de Mexicaanse staat Oaxaca, op 1800–2100 meter hoogte. De naam verwijst naar de gelijkenis met het geslacht Utricularia (blaasjeskruid): de langgesteelde bladeren van de zomerrozet hebben een diep lepelvormig, bijna blaasachtig blad dat aan de vangblaasjes van Utricularia doet denken, en ook de vergroeide onderste kelklob vertoont een vergelijkbare bouw.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.