Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula rotundiflora
Pinguicula rotundiflora
De naam slaat op de bloem: de kroonslippen zijn zo breed en zo rond dat de bloem bijna cirkelvormig oogt, iets wat binnen het geslacht ongewoon is. Pinguicula rotundiflora werd in 1985 beschreven en groeit in het noordoosten van Mexico, waar hij zowel op kalk in koel bergbos als op gips in droog struweel wordt gevonden — een ongewoon brede standplaatskeuze voor zo'n kleine plant.

Herkenning
Een kleine, vlakke rozet van dikke, spatelvormige blaadjes. In de droge tijd is de rozet compact en vlezig, met weinig klieren; in het groeiseizoen wordt hij platter en breder en komt er een dun klierdek op. De bloemen komen uit de winterrozet, op dunne stelen die de rozet duidelijk overtreffen. De bloem is bleek lila tot roze, met een witte of gelige keel, en heeft brede, afgeronde, elkaar overlappende slippen; daardoor oogt ze rond in plaats van tweelippig, en daaraan dankt de soort haar naam. De spoor is slank en steekt duidelijk achter de bloem uit. De soort vormt gemakkelijk nieuwe rozetten uit losgeraakte blaadjes.
Gelijkende soorten
In de oorspronkelijke beschrijving wordt de soort vergeleken met Pinguicula parvifolia, waarmee zij het kleine formaat en de bleke bloem deelt; die laatste komt echter uit het westen van Mexico en heeft smallere kroonslippen. In het noordoosten kan verwarring optreden met P. immaculata, die op dezelfde gipshellingen bij Rayones en Galeana staat, maar een witte bloem met geelgroene keelvlek heeft. Ook de kleine gipsbewoners uit San Luis Potosí lijken erop, maar hun areaal ligt zuidelijker. De brede, ronde kroonslippen blijven het beste kenmerk.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval op een klein, vlak blad, actief vooral in het groeiseizoen. De gesteelde klieren dragen een kleverige druppel; de zittende klieren daartussen geven enzymen af zodra een prooi contact maakt, waarna de bladrand zich iets naar binnen buigt om het vocht vast te houden. In de compacte, vlezige winterrozet ligt de vangst vrijwel stil — die bladeren zijn een wateropslag voor de droge maanden. Gezien het formaat van de plant bestaat de prooi vooral uit springstaarten, muggen, kleine vliegjes en mieren. Doordat de soort in de winter bloeit en in de zomer groeit, loopt het vangseizoen niet gelijk op met de bloei: de plant investeert eerst in bloemen uit opgeslagen reserves en verdient die pas daarna terug met de zomerrozet. Dat ritme komt bij meer kleine Mexicaanse vetbladen voor en past bij een standplaats waar de zomerregens kort en onvoorspelbaar zijn.
Standplaats en ecologie
Twee heel verschillende milieus. Op de hogere vindplaatsen, rond tweeduizend meter en hoger, staat de soort op kalkgrond in koel bergbos met Liquidambar styraciflua, dennen en beuk (B5, R2). Lager, rond dertienhonderd meter, groeit ze op gipsbodems in droog, xerofiel struweel (D4, R2). De gemene deler is een ondiepe, kalk- of sulfaatrijke bodem waar weinig concurrentie is en waar water snel wegzakt; de planten zitten op ondiepe richels, in gruis en in de luwte van rotsblokken en struiken. Dat één soort zowel in koel bergbos op tweeduizend meter als in droog struweel zevenhonderd meter lager kan staan, is binnen dit geslacht uitzonderlijk; de meeste Mexicaanse vetbladen zijn aan een veel smallere hoogte- en klimaatzone gebonden. Waarschijnlijk is de bodem hier belangrijker dan het klimaat.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Mexico, met vindplaatsen in Tamaulipas — onder meer bij Minas de Asbesto en in de omgeving van Jaumave — en in Nuevo León, in het gebied Rayones–Galeana en bij Aramberri. Onze soortenlijst vermeldt Chiapas; dat komt niet overeen met de gepubliceerde vindplaatsen, die alle in het noordoosten van Mexico liggen, honderden kilometers noordelijker. Wij houden hier Tamaulipas en Nuevo León aan. Het areaal is klein en versnipperd over losse kalk- en gipsgebieden in de Sierra Madre Oriental.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Wilde variëteiten worden niet onderscheiden, maar tussen de twee standplaatstypen zijn de planten merkbaar verschillend: exemplaren van de koele kalkbossen zijn wat groter en groener, die van de lage gipshellingen kleiner en sterker rood aangelopen. Of dat erfelijk is of alleen een reactie op licht en droogte, is niet onderzocht. De bloemkleur loopt van vrijwel wit tot duidelijk roze. Waar de soort met andere kleine vetbladen op dezelfde gipshelling staat, moeten tussenvormen als mogelijke natuurlijke kruising worden opgevat.
Waar en wanneer te zien
De bloei valt in de winter en het vroege voorjaar, en dat is meteen het aangenaamste seizoen om in dit deel van Mexico te lopen. Zoek op noordhellingen, aan de voet van kalk- of gipsbanken en onder de rand van struiken, waar zich wat gruis en mos verzamelt. De bloem is groter dan de plant eronder en verraadt haar het snelst. Ga zitten en werk een klein oppervlak systematisch af; wie rechtop blijft staan, loopt over een kolonie heen zonder iets te zien.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Bekend is dat de soort uit een beperkt aantal gebieden in twee deelstaten komt en daar aan bijzondere bodems gebonden is. De druk verschilt per vindplaats: in het bergbos gaat het om houtkap en begrazing, op de gipshellingen om gipswinning, wegaanleg en betreding. Er zijn geen gepubliceerde populatiecijfers, en de soort wordt in het veld zo gemakkelijk over het hoofd gezien dat de bekende verspreiding waarschijnlijk onvolledig is. Een beoordeling zou hier vooral gericht veldwerk vergen.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula rotundiflora | Studnicka, 1985
Beschreven door Jiří Studnička in 1985, in Folia Geobotanica et Phytotaxonomica 20(2): 201–204, als verwant aan Pinguicula parvifolia. De soort komt voor in het zuiden van Mexico; de precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De naam "rotundiflora" is Latijn voor "rondbloemig" en verwijst vermoedelijk naar de vorm van de bloemkroon.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.