Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula lutea

Pinguicula lutea

Dit vetblad uit het zuidoosten van de Verenigde Staten heeft een heldergele bloem, zo groot als een muntstuk of groter, die alleen boven de natte dennensavanne uitsteekt. Wie in februari over een pas gebrande vlakte in Florida of Georgia loopt, ziet Pinguicula lutea eerder als een strooisel gele stipjes dan als een plant — de rozet zelf ligt onzichtbaar plat op de grond.

Pinguicula lutea
Foto: Bob Peterson from North Palm Beach, Florida, Planet Earth! — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula lutea — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Doug McGrady from Warwick, RI, USA — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula lutea — de bloem
De bloem · Foto: Bob Peterson from North Palm Beach, Florida, Planet Earth! — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula lutea — de standplaats
De standplaats · Foto: Doug McGrady from Warwick, RI, USA — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vlezige, geelgroene rozet van ongeveer vijf tot acht centimeter breed, met breed elliptische bladeren waarvan de rand bij oudere exemplaren opkrult en waarvan het bovenvlak kleverig aanvoelt. Uit het hart komen één tot enkele dunne bloemstelen. De bloem is zwavelgeel, tweelippig, met een gespleten onderlip en een spoor aan de achterkant, en meet ongeveer tweeënhalf tot vijf centimeter in doorsnede. Af en toe komen strogele planten voor en zeer zelden witte. De soort staat bekend om bloemen met extra slippen, die er misvormd of dubbel uitzien.

Gelijkende soorten

Geen ander vetblad in dit gebied heeft een grote gele bloem, dus in bloei is de soort onmiskenbaar. Het verwarringsrisico zit bij de rozet: die lijkt op die van Pinguicula caerulea, waarmee hij vaak in dezelfde savanne groeit. Let op bloemkleur zodra er een bloem is — violet met donkere aderen bij caerulea, zuiver geel hier. P. planifolia heeft vlakkere, vaak roodachtige bladeren en staat natter; P. pumila is veel kleiner, met een rozet van hooguit een paar centimeter.

De val en hoe hij werkt

De rozet werkt als lijmval met twee soorten klieren: gesteelde klieren met een kleefdruppel, en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt. De bladrand rolt daarna langzaam naar de prooi toe, zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan in plaats van weg te lopen; daarna strekt het blad zich weer. De vangst bestaat vooral uit kleine vliegende insecten van de natte savanne. Op een oud blad zie je het resultaat als een stippellijn van zwarte omhulsels langs de bladrand.

Standplaats en ecologie

Natte dennenvlakten en natte prairies van de kustvlakte, met hier en daar kwelhellingen en de overgang van zandheuvels naar pocosin-struweel. Dit zijn door brand onderhouden, open ecosystemen: zonder regelmatig vuur sluit het struweel zich, verdwijnt het licht en verdwijnt de plant. De bodem is zuur, nat en uitgesproken arm — precies het soort standplaats waar vleeseterij loont, en waar dit vetblad dan ook gezelschap heeft van zonnedauw, blaasjeskruid en trompetbekers. De savanne waarin deze soort staat, is een van de soortenrijkste vegetaties van Noord-Amerika: op een vierkante meter kunnen tientallen plantensoorten staan, en juist die dichtheid maakt het openhouden door vuur zo belangrijk. Zonder brand verdwijnen eerst de kleinste soorten, en het vetblad hoort daarbij.

Verspreiding en hoogte

Van het zuidoosten van North Carolina — Pender en New Hanover County — zuidwaarts tot in zuidelijk Florida en westwaarts tot in oostelijk Louisiana, met Alabama, Georgia, South Carolina en Mississippi daartussen. Het is dus een soort van de Atlantische en Golfkustvlakte, vrijwel geheel beperkt tot laag, vlak terrein. In Georgia is hij in de kustvlakte algemeen, in South Carolina minder algemeen en in North Carolina zeldzaam, wat een klassiek beeld is voor soorten die hun noordgrens bereiken.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 100 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In het wild worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. Wat varieert is de bloemkleur, van diep zwavelgeel tot strogeel en heel zelden wit, en de bouw van de bloem zelf: deze soort is er bekend om dat er planten met vergroeide of extra kroonslippen voorkomen, wat er als een dubbele bloem uitziet. Zulke afwijkingen zijn geen vaste vormen maar individuele, vaak jaarlijks terugkerende eigenaardigheden van bepaalde planten. Ook de rozet varieert sterk met het seizoen: na een brand en bij veel licht blijven de bladeren klein en dik, terwijl planten in hoger opgeschoten vegetatie langere, dunnere bladeren maken. Dat is een reactie op de omstandigheden en geen kenmerk om op te determineren.

Waar en wanneer te zien

Ga in februari of maart en zoek in pas gebrande, natte dennenvlakten: een gebied dat het vorige jaar gebrand is, levert vaak de dichtste bloei. Gele stippen boven het gras zijn van tientallen meters afstand te zien; loop er vervolgens voorzichtig naartoe, want de rozetten liggen onzichtbaar tussen de pollen. Kijk meteen ook rond naar andere vleesetende planten — in zulke savannen staan er vaak vier of vijf soorten binnen een paar passen van elkaar. Neem een klein spiegeltje of een telefoon met macrostand mee om het klierdek van dichtbij te bekijken zonder de plant aan te raken.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, tekent een gemengd beeld: het verspreidingsgebied is ruim, maar de habitat verdwijnt. In Florida heeft de soort de status van beschermde, bedreigde plant op staatsniveau en geldt hij als vrij zeldzaam; de aanbevolen beheersmaatregel is elke twee tot vier jaar branden om struikopslag terug te dringen. De kern van het probleem is overal hetzelfde: ontwatering, bosbouw en vooral het uitblijven van vuur, waardoor open savanne dichtgroeit. Het ontbreken van een mondiale categorie zegt hier niets over die trend.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula lutea | Walter, 1788

Beschreven door Thomas Walter in 1788, in Flora Caroliniana: 63. De soort komt voor in het zuidoosten van de Verenigde Staten; Walters typemateriaal is afkomstig uit South Carolina. De naam "lutea" is Latijn voor "geel" en verwijst naar de helder gele tot strogele bloemen van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.