Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula jackii
Pinguicula jackii
Pinguicula jackii is het vetblad van de kalkrotsen van Midden-Cuba: een plant die vrijwel uitsluitend op loodrechte, druipende wanden groeit in het Guamuhaya-gebergte, het massief dat ook bekendstaat als de Trinidad-bergen of het Escambray. Wie hem wil zien moet omhoogkijken langs een farallón — een kalksteenwand waar bronwater in een dun vlies overheen glijdt — en niet omlaag naar de grond.
Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.
Herkenning
Een vlakke rozet van gaafrandige, vlezige bladeren die plat tegen de natte kalkwand ligt. Onderzoek aan een populatie in Cienfuegos vond gemiddeld ongeveer negen bladeren per plant, waarvan er zes actief zijn en de rest afstervend; het oppervlak dat zo'n rozet beslaat loopt uiteen van nauwelijks een paar vierkante centimeter tot ruim anderhalve handpalm. Uit het hart komen dunne bloemstelen met elk één tweelippige bloem met spoor. Eén plant droeg in dat onderzoek maximaal zeven bloemen tegelijk. Zonder bloem is de glanzende, natte indruk van het blad het herkenningspunt.
Gelijkende soorten
In Midden-Cuba deelt deze soort het kalksteenmilieu met Pinguicula lithophytica, die eveneens op beschaduwde, natte kalkrots in de Trinidad-bergen groeit en een witte bloem met gele keel heeft. Dat is in het veld het bruikbaarste onderscheid, mits je een bloeiende plant treft. De vetbladen van Oost-Cuba staan honderden kilometers verderop op serpentijn en spelen hier geen rol; de laaglandsoorten van het westen leven in zandsavannen en niet op rotswanden. Wie een rozet op een druipende kalkwand in het Escambray vindt, zit dus in een gezelschap van twee.
De val en hoe hij werkt
Zoals bij alle vetbladen bestaat de val uit twee soorten klieren: gesteelde klieren met een kleefdruppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt. Op een verticale wand werkt dat net iets anders dan op vlakke grond: het vocht heeft de neiging weg te lopen, en de bladrand die zich naar de prooi toe krult, houdt het op zijn plaats. Wat blijft plakken zijn muggen, dansmuggen en ander klein vliegend goed dat in de vochtige luwte voor de rotswand blijft hangen — een plek waar zulke insecten zich door de luchtstroming vanzelf verzamelen.
Standplaats en ecologie
Loodrechte kalksteenwanden met sijpelend water, gemiddeld onder een helling van ruim vijfenzeventig graden, meestal op het noorden of oosten gericht en dus uit de felle middagzon. De omringende vegetatie bestaat uit regenbos en groenblijvend bergbos, met daarnaast de kegelvormige kalkheuvels die op Cuba mogotes heten. In de gezelschapslijsten staan soorten als Begonia banaoensis en Dorstenia nummularia — planten van dezelfde natte, schaduwrijke rotsnissen. De hoogteligging van de onderzochte populaties loopt van ruim zeshonderd tot bijna duizend meter. Een wand is voor zo'n plant geen homogene standplaats maar een lappendeken: nissen die permanent druipen wisselen af met randen die tussen buien door opdrogen, en de rozetten volgen die natte plekken nauwkeurig. Op een wand van tien meter breed kan de plant daardoor op slechts enkele handpalmen oppervlak staan.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Cuba. De nominaatondersoort is bekend uit het Guamuhaya-gebergte in het zuidelijke midden van het eiland, met vindplaatsen in de provincie Cienfuegos en aangrenzend Villa Clara: Carso de Buenos Aires, Loma Las Lagunas, Mogote La Habanera, Vegas de Mataguá en Mundo Nuevo. Het gebied dat deze populaties samen beslaan, is in vierkante kilometers uit te drukken en de daadwerkelijk bezette oppervlakte in vierkante meters — kenmerkend voor een plant die alleen op geschikte wanden kan staan.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden twee ondersoorten onderscheiden: de nominaatvorm en ondersoort parviflora, die zoals de naam zegt kleinere bloemen heeft. Het meeste veldwerk is aan de nominaatvorm gedaan, in het Guamuhaya-gebergte; over de verspreiding en variatie van de andere ondersoort is minder bekend. Binnen één populatie hangt de grootte van de rozet sterk samen met de plek op de wand: waar het water permanent overheen loopt zijn de planten groter dan in nissen die tussen buien door opdrogen. Kweekvormen blijven buiten beschouwing.
Waar en wanneer te zien
April is het beste moment: in het onderzochte gebied bloeide toen verreweg het grootste deel van de planten. Zoek langs de voet en op de flanken van kalkwanden op noord- en oostexposities, op plekken waar het water in een dunne film over de rots glijdt en waar mos en levermos groen blijven. Een verrekijker helpt, omdat veel rozetten hoog op de wand zitten. Veel vindplaatsen liggen in de buurt van verlaten koffieplantages en kleinschalige akkerbouw; blijf op de paden en betreed geen privéterrein zonder toestemming. Kijk ook naar wat eromheen groeit: waar begonia's en andere schaduwminnende rotsplanten staan, is de wand nat genoeg. Dat is in dit landschap de snelste manier om kansrijke wanden van kansloze te onderscheiden.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, komt vooral uit het onderzoek aan de nominaatondersoort in het Guamuhaya-gebergte: drie eerder bekende deelpopulaties werden bevestigd en één nieuwe gevonden, en de daadwerkelijk bezette oppervlakte bleek nog geen vier vierkante meter binnen een gebied van ruim dertien vierkante kilometer. Als bedreigingen worden genoemd: intensieve tuinbouw met herhaalde bespuitingen vlak bij de wanden, branden, ontginning, invasieve soorten en afnemende neerslag. Een mondiale categorie ontbreekt; de lokale cijfers zijn er niet minder ernstig om.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula jackii | Barnhart, 1931
Beschreven door John Hendley Barnhart in 1931, in Addisonia 15: 61–62. Het typegebied ligt bij Las Lagunas, Buenos Aires, op loodrechte, noordgerichte rotsen op ongeveer 762 meter hoogte, in de toenmalige provincie Santa Clara (nu Cienfuegos) op Cuba; het typemateriaal werd in 1928 verzameld door J.G. Jack. De soortnaam jackii eert John George Jack, wiens veldwerk op Cuba het typemateriaal opleverde.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.