Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula crystallina
Pinguicula crystallina
Het vetblad van Cyprus is een plant van koel, stromend water in een land dat daar zuinig mee is. Pinguicula crystallina groeit op natte rotsen bij bronnen, beekjes en watervalletjes in de Troodos en op enkele plekken in Turks Anatolië, en hij bloeit — anders dan bijna elk ander Europees vetblad — een groot deel van het jaar door, zolang het water maar blijft lopen.

Herkenning
Een kleine rozet van breed elliptische tot langwerpige bladeren van anderhalf tot tweeënhalve centimeter, soms vier, met duidelijk naar boven omgerolde randen en een stompe of ingesneden top. Het blad is lichtgroen, glimt van de klierdruppels en voelt vettig. De bloemstelen zijn 3 tot 6 centimeter, in gunstige omstandigheden tot tien. De bloem is wit met aan elke kroonslip een violetblauwe punt, alsof de kleur er met een kwast op is gezet; in de keel staan gele haren. De hele kroon is 8 tot 15 millimeter lang, uitzonderlijk 21, en de spoor is opvallend kort: 4 tot 6 millimeter, smal cilindrisch, ongeveer een derde van de kroonlengte. Juist die verhouding maakt de soort herkenbaar.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Pinguicula hirtiflora, die er sterk op lijkt maar in alle onderdelen groter is: bladeren van drie tot zes centimeter, een kroon van 16 tot 25 millimeter en vooral een veel langere spoor van 7 tot 13 millimeter. Wie twijfelt, meet de spoor en vergelijkt hem met de rest van de bloem: bij P. crystallina is de spoor ongeveer een derde, bij P. hirtiflora de helft of meer. In Zuidwest-Anatolië kan ook Pinguicula megaspilaea in beeld komen, maar die heeft opvallend lange, lijnvormige zomerbladeren van zeven tot twaalf centimeter en is daardoor al van een afstand anders.
De val en hoe hij werkt
Een klassieke lijmval. Op het blad staan gesteelde klieren met een heldere slijmdruppel — de naam crystallina verwijst naar dat glinsterende dek — en daartussen zittende klieren die verteringsenzymen afscheiden zodra er een prooi op ligt. Muggen, vliegjes en ander klein gevleugeld goed uit de permanent vochtige lucht rond een bron blijven eraan kleven. De bladrand krult zich in de uren erna iets verder om, zodat het verteringssap niet van de schuine rotswand afloopt. Omdat de plant op kaal, doorspoeld gesteente staat, is dit vrijwel de enige stikstofbron die hij heeft; van de rots zelf valt weinig te halen.
Standplaats en ecologie
Permanent nat gesteente, en dan het liefst met stromend water eroverheen: druipende rotswanden bij bronnen, de spatzone van kleine watervallen, natte randen van bergbeken. De soort is niet kieskeurig in gesteentesoort — zowel kalksteen als serpentijn worden bewoond — maar wel in watervoorziening: droogvallen wordt niet verdragen. Ze groeit lithofytisch, dat wil zeggen rechtstreeks op de rots, met de wortels in een dun laagje mos en verweringsmateriaal. Op Cyprus loopt het bereik van een paar honderd meter tot bijna tweeduizend, waarbij de hoogste standplaatsen in het Troodos-massief liggen.
Verspreiding en hoogte
Cyprus en Turkije. Op Cyprus is de soort inheems maar niet endemisch, verspreid over de bergstreken van het eiland, met de meeste vindplaatsen tussen 800 en 1640 meter en een enkele tot ruim 1900. In Turkije komt hij voor in het zuidwesten en zuidoosten van Anatolië, waar standplaatsen tot zo laag als 250 meter zijn opgetekend. Het is daarmee een oostelijke mediterrane soort met een verbrokkeld areaal: overal waar hij staat, staat hij aan water, en tussen de waterplekken in ontbreekt hij volledig.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden, maar het taxon heeft wel een bewogen geschiedenis: lange tijd werd P. hirtiflora als ondersoort van P. crystallina beschouwd, en beide namen zijn in de literatuur door elkaar gebruikt. De recente herziening houdt ze uit elkaar op spoorlengte, bladmaat en kroongrootte. Wat binnen de soort varieert is vooral formaat: planten in de volle spatzone van een waterval worden ruimer dan planten op een nauwelijks vochtige wand, en de kroon kan dan tot 21 millimeter uitgroeien. De violette puntjes op de kroonslippen wisselen in grootte en kunnen bij sommige planten bijna ontbreken.
Waar en wanneer te zien
De bloeitijd is uitzonderlijk lang, dus het seizoen is ruim — maar de beste kans ligt in het voorjaar, wanneer het water in de bergbeken nog hoog staat en de wanden overal druipen. Volg een beek stroomopwaarts tot waar hij uit de rots komt en zoek de natte, schaduwrijke wand naast de val. Kijk op ooghoogte en hoger: de rozetten zitten vaak boven het pad, vastgeklemd in een spleet of op een mospolster. Het witte bloempje met de blauwe puntjes valt van dichtbij meteen op, maar van vijf meter afstand verdwijnt het volledig tegen het natte gesteente.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde Rode Lijst, dus een internationale categorie ontbreekt; CITES is niet van toepassing. Op Cyprus is hij wél nationaal beoordeeld, en daar geldt hij als kwetsbaar, op grond van het kleine aantal standplaatsen: het criterium dat is gebruikt gaat uit van een zeer beperkt bezet gebied dat door één enkele gebeurtenis kan worden getroffen. De bedreigingen die bij zo'n bronmilieu horen zijn overal dezelfde: het vatten en afleiden van bronwater voor drinkwater en landbouw, dalende grondwaterstanden bij langere droogte, en betreding rond populaire waterval- en bronlocaties. Over de Turkse populaties is minder bekend.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula crystallina | Smith, 1806
Beschreven door James Edward Smith in 1806, rond de tijd van zijn “Florae Graecae Prodromus”. De soort komt voor in het oostelijke Middellandse Zeegebied: Cyprus, Turkije, Kreta en de rest van Griekenland. De soortnaam crystallina is Latijn voor "kristalachtig, glashelder" en verwijst naar de glinsterende, druppelvormige kleefstof op de bladeren.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.