Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula chilensis
Pinguicula chilensis
Een klein vetblad van de natte hoogweiden van de zuidelijke Andes, beschreven in 1849 voor de Flora Chilena en sindsdien het onderwerp van een aanhoudende naamkwestie. Pinguicula chilensis groeit langs smeltwaterplassen en bronnetjes tussen ruwweg duizend en tweeëntwintighonderd meter, in een landschap van vulkanen, gletsjers en veenachtige weiden.

Herkenning
Een vlakke rozet van drie tot tien bladeren, elk twaalf tot vierentwintig millimeter lang en acht tot elf breed, eirond-langwerpig met een stompe top. De bovenkant is dicht bezet met zittende klieren en voelt vettig; aan de bladvoet staan lange, priemvormige haren, een kenmerk dat men met een loep meteen ziet. Op elke bloemsteel staat één bloem van negen tot dertien millimeter, blauw of witachtig, met violette aderen die naar de keel lopen; de onderlip is drielobbig. De spoor is kort, ongeveer twee tot drie millimeter. De plant bloeit in de zuidelijke zomer en trekt zich daarna terug; in de winter staat de standplaats vaak onder sneeuw.
Gelijkende soorten
Ten zuiden van dit areaal staat Pinguicula antarctica, met kleinere bloemen van acht tot tien millimeter en een zakvormige spoor van hooguit anderhalve millimeter — dat sporenverschil is het bruikbaarste kenmerk. In hetzelfde hooggebergte, tussen zesendertig en eenenveertig graden zuiderbreedte, komt P. australandina voor, met violette tot lila bloemen met donkere aderen en een kegelvormige spoor van twee tot drie millimeter; hier is het kleurverschil doorslaggevend, want P. chilensis neigt naar blauw of wit. Op de Cordillera de Nahuelbuta, dichter bij de kust, groeit P. nahuelbutensis met een zeer korte, dicht behaarde bloemsteel.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval die werkt in een omgeving met korte zomers en lange sneeuwperioden. De gesteelde klieren houden een druppel vast, de zittende klieren daaronder komen pas in actie zodra een prooi op het blad terechtkomt en lossen die ter plekke op. De bladrand rolt daarbij langzaam naar binnen, zodat het verteringsvocht in een kuiltje blijft staan. Omdat het groeiseizoen kort is, moet er in weinig weken veel gebeuren: in de zuidelijke zomer zwermen er boven de smeltwaterplassen wolken van muggen en dansmuggen, en dat is precies wanneer de plant in blad en bloei staat. Een oud blad ligt aan het eind van het seizoen vol donkere insectenresten.
Standplaats en ecologie
Vochtige tot drassige hoogweiden aan de randen van poelen en meren die door smeltwater van vulkanen en gletsjers worden gevoed (W6), langs de oevers zelf (W7), en op open, kort begroeide grond boven de boomgrens (R5). De bodem is veenachtig, zuur en arm, permanent nat tijdens het groeiseizoen en in de winter bedekt met sneeuw. Gezelschapsplanten zijn onder meer Calceolaria biflora en soorten van Viola die in dezelfde kwelplekken groeien. Hoge vegetatie ontbreekt; de standplaats blijft open door de combinatie van hoogte, wind en een lange sneeuwperiode.
Verspreiding en hoogte
Van het nationaal park Nahuel Huapi op de grens van Chili en Argentinië noordwaarts tot even voorbij de Laguna del Maule op zesendertig graden zuiderbreedte, in een hoogteband van ongeveer duizend tot tweeëntwintighonderd meter. De soort is dus verdeeld over twee landen en niet endemisch. Onze soortenlijst noemt alleen Chili; het Argentijnse deel van het areaal, langs de oostzijde van dezelfde bergketen, hoort er even goed bij. Binnen dat gebied is de verspreiding versnipperd: de plant volgt de natte plekken, en die liggen als eilandjes verspreid over een verder droog en stenig hooggebergte.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
In het wild worden geen variëteiten onderscheiden. De bloemkleur wisselt binnen de soort van helder blauw tot vrijwel wit, met steeds dezelfde violette adering; dat is variatie, geen vormenreeks. Belangrijker voor de lezer is dat de naam zelf omstreden is: bij de recente herziening van de Chileense vetbladen kwam naar voren dat het typemateriaal van Clos mogelijk hoort bij de plant die tegenwoordig P. antarctica heet, wat zou betekenen dat de naam P. chilensis van eigenaar verwisselt. De grote naslagwerken voeren de soort voorlopig als zelfstandig. Natuurlijke hybriden zijn niet beschreven.
Waar en wanneer te zien
Zoek langs het water, in de zuidelijke zomer. De beste plekken zijn de vlakke, drassige randen van smeltwaterplassen en de kwelzones eronder, waar de vegetatie kort blijft en de grond onder je voeten meegeeft. De rozetten zijn klein en liggen plat; het blauwwitte bloempje op zijn steeltje is wat je als eerste ziet. Januari en februari zijn de kansrijkste maanden. Let op dat deze kwelplekken snel kapotgelopen zijn: loop eromheen en ga op een droge steen zitten om te kijken.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES; een internationale categorie ontbreekt dus. Wat bekend is: het areaal beslaat een paar honderd kilometer Andes in twee landen, met veel groeiplaatsen binnen nationale parken aan weerszijden van de grens. De druk komt vooral van begrazing van de hoogweiden, van het aftappen en opstuwen van bergwater voor waterkracht en irrigatie, en van het opschuiven van de sneeuwgrens, dat de vochtige zones in het gebergte doet krimpen. Daarbij komt dat de naamkwestie het lastig maakt om oude en nieuwe waarnemingen op één hoop te vegen — een beoordeling zou daar eerst uitsluitsel over moeten geven.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula chilensis | Clos, 1849
Beschreven door Dominique Clos in 1849, in Gay, Historia Física y Política de Chile, Botanica 4: 365. De soort komt voor in het zuiden van Zuid-Amerika, van het Nahuel-Huapi-gebied op de grens van Argentinië en Chili tot noordwaarts aan de Laguna del Maule op 36 graden zuiderbreedte. De soortnaam chilensis verwijst naar Chili, een van de landen waar de soort voorkomt.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.