Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula alpina

Pinguicula alpina | Alpenvetblad

Van alle vleesetende planten is dit misschien de onopvallendste die je zonder moeite kunt tegenkomen: een handbrede, gele rozet die plat tegen de natte grond ligt, tussen het mos langs een bergbeek of op een druipende rotswand. Pinguicula alpina is een plant van kalk en koud water, en hij heeft een verspreiding die weinig soorten in deze gids evenaren — van IJsland tot in de Himalaya, van zeeniveau in Noord-Siberië tot ver boven de boomgrens in de Alpen.

Pinguicula alpina (Alpenvetblad)
Foto: User:Tigerente — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula alpina — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Filip Dominec — Public domain · Wikimedia Commons
Pinguicula alpina — de bloem
De bloem · Foto: Philipp Weigell — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula alpina — de standplaats
De standplaats · Foto: Nicolas Weghaupt — CC0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vlakke rozet van vijf tot acht eivormige, gaafrandige bladeren die geelgroen tot bijna botergeel zijn en waarvan de rand bij oudere bladeren naar boven is omgerold. De bovenkant voelt vettig aan — daar komt de wetenschappelijke geslachtsnaam vandaan — en glanst bij schuin invallend licht van de klierdruppels. Uit het hart komen één tot enkele kale bloemstelen; de plant is in bloei 5 tot 15 cm hoog. De bloem is wit, tweelippig, met een tweelobbige bovenlip en een drielobbige onderlip waarop één of twee heldergele vlekken staan die naar de keel wijzen. Achteraan zit een korte, rechte spoor van 2 tot 4 mm, geel- tot bruingroen van kleur. Bloeitijd mei tot juli, hoger in het gebergte tot in augustus. Na de bloei trekt de plant zich terug in een winterknop, vaak met kleine broedknoppen eromheen.

Gelijkende soorten

De soort waarmee hij het vaakst wordt verwisseld is Pinguicula vulgaris, die in hetzelfde gebergte en soms in hetzelfde veentje staat. Die heeft een violette tot blauwpaarse bloem met een lange, spitse spoor van 4 tot 7 mm en meestal groenere, minder gele bladeren; het kleurverschil van de bloem is onmiskenbaar, en buiten de bloei is de gelige tint van P. alpina het beste kenmerk. Enkele lokale soorten in Zuid-Europa, zoals P. poldinii en P. balcanica, hebben ook witachtige bloemen, maar hun verspreiding overlapt nauwelijks. Een rozet zonder bloem is in kalkgebied vrijwel zeker deze soort als hij geelgroen is en de bladranden omkrullen.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, maar met een beweging die je pas na uren ziet. Het bladoppervlak draagt twee soorten klieren: gesteelde klieren die een kleverige druppel maken, en zittende klieren die pas verteringsenzymen afscheiden zodra er een prooi op ligt. Een klein insect dat op het blad landt, blijft plakken; het spartelen brengt meer klieren in contact, en tegelijk zet de plant een trage groeireactie in gang waarbij de bladrand zich naar de prooi toe omrolt, zodat het verteringssap in een ondiep kuiltje blijft staan in plaats van weg te lopen. Daarna wordt het blad weer vlak. De vangst bestaat vooral uit muggen, dansmuggen en ander klein vliegend goed dat in bronmilieus in wolken voorkomt. Dat de plant daar niet kieskeurig in is, zie je aan een oud blad: het ligt vol met de zwarte omhulsels van wat er is opgegeten.

Standplaats en ecologie

Doorstroomd, basenrijk en koud: dat is de korte samenvatting. De plant staat op natte rotsen en kalktufwanden waar bronwater overheen sijpelt (R1, R2), in kalkmoerassen en kleine zeggenveentjes (W2), en in vochtige, kort begraasde bergweiden. Hij verdraagt geen droogte, geen zure standplaats en geen beschaduwing door hoge vegetatie; concurrentie ontwijkt hij door te groeien waar bijna niets anders kan staan — op een kale, permanent natte kalkhelling waar het water de voedingsstoffen wegspoelt. Juist die armoede maakt vleeseterij zinvol. In het noorden van het verspreidingsgebied daalt de standplaats naar zeeniveau en neemt de toendra de rol van het hooggebergte over.

Verspreiding en hoogte

Een brede, noordelijke en bergachtige verspreiding: van IJsland en Scandinavië over de Alpen, de Karpaten en de Pyreneeën tot aan de Balkan, en oostwaarts door Siberië tot in de Himalaya en westelijk China. De soort is dus allerminst endemisch. De hoogteligging loopt daarmee even breed uiteen: in het noorden van Siberië en in Scandinavië staat hij tot aan de kust, in de Alpen tussen ruwweg de montane gordel en de alpiene, en in de Himalaya is hij tot ruim vierduizend meter opgetekend. In Nederland en België komt hij niet voor; de dichtstbijzijnde populaties staan in de Jura en de Alpen.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 285 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Voor zo'n groot verspreidingsgebied is de soort opvallend eenvormig, en er worden dan ook geen variëteiten in het wild onderscheiden. Wat varieert, is grootte en kleurintensiteit: planten op een schrale, zonnige kalkwand blijven klein en uitgesproken geel, terwijl planten in een beschut veentje groter en groener worden. Het aantal gele vlekken op de onderlip wisselt tussen één en twee, soms drie, en is geen betrouwbaar kenmerk. Natuurlijke hybriden met Pinguicula vulgaris zijn beschreven waar beide soorten samen staan; die planten hebben een bleek lila bloem met een gele keelvlek en een spoor van tussenliggende lengte, en ze zijn vrijwel altijd onvruchtbaar. Zij horen in deze gids bij de ouders.

Waar en wanneer te zien

Juni is in de Alpen het beste moment, op een hoogte waar de sneeuw net weg is; wie later in het seizoen hoger klimt, schuift met de smeltlijn mee en kan de bloei tot in augustus volgen. Zoek langs het water in plaats van op de open weide: de randen van bronbeekjes, natte kalktufhellingen, de druipende voet van een rotswand, en kalkmoerasjes met kleine zeggen. Ga laag bij de grond zitten — van staande hoogte ziet de rozet eruit als een klompje mos, en zonder bloem wordt hij gewoonlijk over het hoofd gezien. Een schuin invallende ochtendzon laat het klierdek oplichten en verraadt hele kolonies tegelijk.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst; er is dus geen internationale categorie, en hij staat ook niet in CITES. Wat bekend is, wijst niet op een probleem op schaal van de soort: het verspreidingsgebied beslaat een groot deel van noordelijk Eurazië en de populaties in het hooggebergte zijn omvangrijk. Aan de randen van het areaal ligt het anders. In een aantal Midden- en Zuid-Europese landen staat hij op nationale rode lijsten, en de oorzaken zijn daar steeds dezelfde: ontwatering en bemesting van kalkmoerassen, het vatten van bronnen, en het dichtgroeien van kort begraasde bergweiden zodra het vee wegblijft. Het ontbreken van een mondiale beoordeling is hier dus een leemte in het dossier, geen geruststelling over wat er lokaal gebeurt.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula alpina | Linnaeus, 1753

Beschreven door Carl Linnaeus in 1753, in “Species Plantarum”. De soort komt van nature voor over grote delen van het noordelijke Eurazië, van IJsland tot de Himalaya, van zeeniveau in het noordwesten van Siberië tot 4100 meter hoogte; de dichtste populaties liggen in de Alpen en Noord-Scandinavië. De soortnaam alpina is Latijn voor "van de Alpen, alpien" en verwijst naar de belangrijkste groeigebieden van de soort in het hooggebergte.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.