Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes ventricosa
Nepenthes ventricosa
De kannenplant met de zandloperbekers. Nepenthes ventricosa — Latijn voor 'aan één kant opgezwollen' — heeft bekers die in het midden sterk zijn ingesnoerd, met een bolle voet en een wijde, rood omrande mond. De soort werd in 1837 beschreven door de Spaanse augustijner monnik en botanicus Francisco Manuel Blanco, in zijn Flora de Filipinas, dezelfde flora waarin hij ook Nepenthes alata beschreef. Het is een bergsoort van het noorden van Luzon, van laag, bemost eikenbos. In cultuur is ze wijdverbreid, maar in het wild is ze veel minder bekend dan haar populariteit doet vermoeden.


Herkenning
Een klimplant van minstens twee meter, soms epifytisch, met gevleugelde tot scherp driekantige stengels van 3,5 tot 9 mm dik. De bladeren zijn papierachtig tot dun leerachtig en zittend, omgekeerd lancetvormig of smal langwerpig, 15 tot 25 cm lang en slechts 2 tot 3 cm breed. De plant is vrijwel kaal, met hier en daar onopvallende aanliggende roodachtige haartjes van een halve millimeter. De bovenbekers zijn onmiskenbaar: zandlopervormig, 9 tot 16 cm hoog, met een taille precies in het midden die maar een half tot een derde zo breed is als de voet of de mond. Ze zijn gelijkmatig roomwit. Het peristoom is breed en bijna rond, 10 tot 25 mm, met grove ribben op één tot twee millimeter afstand, en helderrood. De binnenkant is geelachtig. Het deksel is smal elliptisch, 4 tot 6 cm lang en ongeveer 2 cm breed.
Gelijkende soorten
Volgens de Flora Malesiana is de soort gemakkelijk te onderscheiden van Nepenthes alata door de hoekige stengels en de witte, zandlopervormige bovenbekers. Nauw verwant zijn Nepenthes burkei van Mindoro en Nepenthes sibuyanensis van Sibuyan; Nepenthes ventricosa verschilt daarvan door de sterkere insnoering in het midden, de kleinere mond en doorgaans het smallere peristoom. Wie een zandlopervormige beker met een roomwitte wand en een rood peristoom ziet op een klimplant in het bergbos van Noord-Luzon, heeft vrijwel zeker deze soort voor zich.
De val en hoe hij werkt
Een val waarin de vorm het werk doet. Het brede, rode peristoom met grove ribben is de lokzone: daar liggen nectarklieren, en zodra het oppervlak nat is, verliezen insecten er hun houvast. Onder de mond zit het bolle bovenste deel, dan de nauwe taille, en daaronder de bolle voet met de verteringsvloeistof. Die insnoering maakt het voor een gevallen insect moeilijk om terug te klimmen: het moet door een smalle hals over een gladde wand. De roomwitte kleur van de beker met het rode peristoom geeft een sterk contrast, wat voor bestuivende en rondvliegende insecten opvallend kan zijn; onderzoek naar de prooi van deze soort is in de geraadpleegde literatuur echter niet gevonden.
Standplaats en ecologie
Laag, bemost eikenbos in het bergland, op 1200 tot 1500 m volgens de Flora Malesiana; andere overzichten noemen een hoogtebereik van 1000 tot 2000 m (B1). Het gaat om nevelwoud: koel, vrijwel altijd vochtig, met bomen die bedekt zijn met mos en epifyten, en met een zure, humusrijke bodem. De plant klimt door de lage vegetatie of groeit epifytisch op bemoste takken. Zoals veel bergsoorten van het geslacht verdraagt ze geen langdurige hitte of droogte.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de Filipijnen. De Flora Malesiana noemt alleen Luzon; andere overzichten melden de soort daarnaast van Panay en Sibuyan. Onze eigen soortenlijst noemt Luzon, wat met de kernopgave overeenkomt. Op Luzon ligt het zwaartepunt in het bergland van het noorden, de Cordillera Central. Opgaven van andere eilanden verdienen voorzichtigheid, omdat verwante soorten als Nepenthes sibuyanensis daar ook voorkomen en de soort bovendien veel wordt gekweekt, zodat de herkomst van planten niet altijd duidelijk is.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen in het wild beschreven. De bekers variëren in kleur van ivoorwit tot rood, met een peristoom dat meestal helderrood is. Hybriden met Nepenthes alata worden in de literatuur genoemd, maar niet altijd blijkt of het om wilde of gekweekte planten gaat; deze gids behandelt alleen wat in het wild is vastgesteld. De verschillen tussen onder- en bovenbekers zijn in de geraadpleegde bronnen niet apart beschreven; de flora baseert de beschrijving op de bovenbekers.
Waar en wanneer te zien
Het bergland van Noord-Luzon, met zijn rijstterrassen en dennenbossen, is goed bereisbaar vanuit Baguio en de andere bergsteden. Zoek niet in het dennenbos maar in de resten van laag, bemost eikenbos op hogere hellingen en bergkammen, tussen ongeveer 1200 en 1500 m. De witte zandlopers vallen in het groen goed op. Vraag lokaal naar wandelroutes door nevelwoud en respecteer de regels van beschermde gebieden en de rechten van de inheemse gemeenschappen op wier grond je loopt.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). De soort heeft een behoorlijk groot verspreidingsgebied in het bergland van Luzon en wordt in de geraadpleegde bronnen niet als ernstig bedreigd beschouwd. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist; de omvangrijke handel in deze soort berust op kweekmateriaal. Het nevelwoud van Noord-Luzon staat onder druk door omzetting naar groenteteelt, houtkap en wegenaanleg, wat plaatselijk populaties kan aantasten.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes ventricosa | Blanco, 1837
Beschreven door Francisco Manuel Blanco in 1837, in "Flora de Filipinas. Segun el Sistema sexual de Linneo" (Manila, Sto. Thomas por D. Candido Lopez, p. 805-809) — een van de oudste Nepenthes-beschrijvingen in deze gids. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De soort is endemisch voor de Filipijnen (Luzon, Panay, Sibuyan), een hooglandsoort op 1000-2000 m hoogte. Van het neo-Latijnse ventricosus ("aan één kant gezwollen") — verwijst naar de karakteristieke bolle vorm van de bekers.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.