Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes sibuyanensis
Nepenthes sibuyanensis
Sibuyan is een klein, ruig eiland midden in de Filipijnen, en de bergkam van Mount Guiting-Guiting erop is een van de botanisch bijzonderste plekken van het land. Nepenthes sibuyanensis werd daar in september 1996 gevonden door een groep kannenplantliefhebbers, Thomas Alt, Phill Mann, Trent Smith en Alfred Öhm, en in 1998 door Joachim Nerz beschreven in het Carnivorous Plant Newsletter. Het is een van de meest gedrongen, zwaarst gebouwde kannenplanten van de Filipijnen, met bekers die bijna zo breed als hoog kunnen zijn.


Herkenning
Een struik of korte klimplant van 0,7 tot 2 m, met een stevige stengel van bijna een centimeter dik. De bladeren zijn zittend, lijn-lancetvormig tot licht spatelvormig, 10 tot 21 cm lang, en lopen met smalle vleugels langs de stengel af. Het opvallendste is dat onder- en bovenbekers vrijwel gelijk zijn: kort eirond-cilindrisch, tot 20 cm (soms 25 cm) hoog en tot 12 cm (soms 15 cm) breed, zonder insnoering in het midden. Alleen de onderbekers dragen gefranjerde vleugels, en dan nog alleen over de bovenste twee derde. De mond is eirond tot bijna rond en loopt achteraan steil op in een korte, brede hals. Het peristoom is zeer breed, 2 tot 3 cm, met ribben van een millimeter hoog, zes tot acht ondiepe lobben aan de buitenrand en tanden van drie tot vijf millimeter aan de binnenrand. Het deksel is eirond, 8 tot 10,5 cm lang, zonder aanhangsels. De bekers zijn groen of geelachtig tot doforanje of roze met enkele rode vlekken in het bovenste derde; het peristoom is glanzend helderrood tot paarszwart.
Gelijkende soorten
De soort hoort bij de groep rond Nepenthes ventricosa van Luzon en Nepenthes burkei van Mindoro. Beide hebben bekers die in het midden duidelijk ingesnoerd zijn, als een zandloper; Nepenthes sibuyanensis heeft die insnoering niet en heeft grotere, bredere bekers. Op Sibuyan zelf is verwarring nauwelijks mogelijk. Nepenthes argentii is een dwerg van hooguit dertig centimeter met bekertjes van vier à vijf centimeter; Nepenthes graciliflora en Nepenthes armin staan lager op de berg en hebben smalle, slanke bekers met een dun peristoom.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil die bijna altijd op of in de grond ligt. De bekers ontwikkelen zich meestal half ingebed in het substraat, tussen gras en varens, en staan zelden in het volle licht; daardoor fungeren ook de bovenbekers grotendeels als bodemvallen voor lopend gedierte. Het brede peristoom met zijn hoge ribben en lange binnentanden vormt een brede gladde rand die bij vocht spekglad wordt; de tanden steken over de binnenwand uit en maken het vermoedelijk moeilijk voor een insect om terug naar buiten te klimmen. Onder het deksel liggen betrekkelijk weinig nectarklieren, 35 tot 60, maar ze zijn groot, tot twee millimeter. Over de samenstelling van de prooi is niets gepubliceerd.
Standplaats en ecologie
Open, grazige hellingen tussen hoog gras, kleine struiken en de varen Dipteris conjugata, vermoedelijk op ultramafische bodem (R3), tussen ongeveer 1300 en 1800 m. Het zijn de open kammen en hellingen van het hooggebergte van Sibuyan, waar het bos plaatsmaakt voor lage vegetatie in wind en nevel (R5). De plant staat er vrij verspreid. Op de berg staan meer bijzondere endemen, zoals Lobelia proctorii en Rhododendron rousei.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sibuyan, in de provincie Romblon. De soort is bekend van Mount Guiting-Guiting, de naburige Mount Mayo en de kam die de twee verbindt. De gepubliceerde hoogtegrenzen lopen uiteen, van 1250–1500 m tot 1500–1800 m; de Flora Malesiana-behandeling noemt 1350–1800 m, het holotype komt van 1300 m. Het hoogteveld volgt de Flora Malesiana, aangevuld met de hoogte van het holotype.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten beschreven. De kleur van de bekers varieert aanzienlijk, van groen en geelachtig tot doforanje en roze, en het peristoom van helderrood tot bijna zwart; die variatie loopt deels met de lichtval mee. Natuurlijke hybriden zijn niet met zekerheid bekend. Omdat Nepenthes argentii tussen ongeveer 1600 en 1770 m op dezelfde hellingen groeit, is een kruising tussen die twee wel als mogelijkheid geopperd.
Waar en wanneer te zien
De bekers zitten in het gras en tussen de varens, niet in de struiken: zoek laag, en kijk naar de glanzende rode rand die tussen het groen uitsteekt. Mount Guiting-Guiting is een beschermd natuurpark en een zware, steile tocht; het hooggebergte vraagt een meerdaagse klim met vergunning en lokale gids, en het weer boven is vaak nat en koud. Dezelfde tocht voert langs de hoogtezones van de andere kannenplanten van het eiland: Nepenthes graciliflora en Nepenthes armin lager, Nepenthes argentii hoger.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als kwetsbaar (Vulnerable), op grond van het zeer kleine verspreidingsgebied op één bergmassief. Het massief ligt binnen het Mount Guiting-Guiting Natural Park, maar houtkap en vooral mijnbouwplannen op Sibuyan vormen een terugkerende bedreiging voor het park en zijn omgeving. De soort staat in CITES bijlage II, zoals het hele geslacht.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes sibuyanensis | Nerz, 1998
Nepenthes sibuyanensis werd in maart 1998 beschreven door Joachim Nerz, in Carnivorous Plant Newsletter 27(1): 18-23. Het holotype (blad 051001) werd op 5 oktober 1996 verzameld door Phill Mann en Trent Smith, op de berg Guiting-Guiting — dezelfde berg als N. argentii en N. armin (golf 18) — op 1300 m hoogte, op een open helling tussen hoog gras en varens van het geslacht Dipteris. De berg Guiting-Guiting, eiland Sibuyan, Filipijnen, op 1300 m hoogte. De naam is afgeleid van het eiland Sibuyan, Filipijnen, waar de soort endemisch is, met het Latijnse achtervoegsel "-ensis" ("afkomstig van").
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.