Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes mirabilis
Nepenthes mirabilis
De wijdst verspreide bekerplant ter wereld, en daarmee het tegenwicht bij alle eilandendemieten van dit geslacht: van Zuid-China tot Noord-Australië, over vrijwel elk eiland van de Maleise archipel. En anders dan zijn familieleden, die aan één berg of één zandvlakte vastzitten, staat deze soort ook gewoon in de berm.




Herkenning
Een struik of klimplant die tot tien meter hoog komt. Het beste kenmerk zit niet aan de beker maar aan het blad: de bladeren van de rozet en van korte stengels hebben een gefranjerde rand, met franjes van ongeveer 2 mm — dat heeft geen enkele andere Nepenthes. Aan de klimmende stengel worden de bladeren breder en gaafrandig, obovaat tot lancetvormig, (15–)20–40 bij 4–10 cm, met een gegroefde bladsteel van 3 tot 20 cm en veel evenwijdige nerven. De onderbekers zijn eirond aan de voet en daarboven cilindrisch, met twee gefranjerde vleugels; de bovenbekers zijn smaller en trechtervormig, met de vleugels tot ribben teruggebracht. Het peristoom is smal en cilindrisch, zonder tanden van betekenis. Het deksel is elliptisch tot rond en blijft dicht boven de mond hangen; het spoor erachter is afgeplat, zijdeachtig behaard en stomp. De bloemen zijn rood tot purperrood, met tepalen van ongeveer 4 tot 7 mm.
Gelijkende soorten
Twee kenmerken beslissen: de gefranjerde rand van de rozetbladeren en het afgeplatte, zijdeachtig behaarde spoor met stompe top. N. rafflesiana, die vaak naast hem groeit, heeft de lange hals achter het peristoom en veel gedrongener onderbekers. N. gracilis is kleiner, glanzend en heeft een smal, gestreept peristoom. Op Kaap York in Australië staat N. rowaniae, die er sterk op lijkt; Clarke en Kruger zetten in 2005 de verschillen op een rij, onder meer in de vorm van de bladschijf, de aanhechting van de rank, de dichtheid van de klieren onderin de beker en de plaats van de heup in de beker. Verder is elke plant die er half zo uitziet verdacht: van deze soort zijn meer natuurlijke kruisingen bekend dan van welke andere Nepenthes ook.
De val en hoe hij werkt
Een gewone bekerval zonder kunstgrepen, en juist dat maakt hem tot de maat waaraan de rest zich laat afmeten. Er zijn twee bekertypen: gedrongen onderbekers op de grond, die vooral mieren en ander kruipend gedierte vangen, en smallere trechters aan de klimmende stengel voor vliegende prooi. Het peristoom is smal en zonder zware tanden; de plant leunt op de gladde rand en op de waslaag binnenin. Omdat hij in het volle licht op natte, open grond staat, lopen de bekers snel vol regenwater, en daarin leeft een hele gemeenschap van muggen- en dansmuglarven die de prooi mee helpen afbreken — de vloeistof van deze soort is bestudeerd als een klein ecosysteem op zichzelf. Als alle Nepenthes is de plant tweehuizig: mannelijke en vrouwelijke trossen staan op verschillende planten.
Standplaats en ecologie
Open, permanent natte en voedselarme grond in de volle zon: grasrijke moerassen, de randen van veenmoerasbos, seizoensdrassige savanne, zandige beek- en venoevers. En dan het bijzondere: deze soort staat ook op grond die de mens net heeft omgewoeld. Weginsnijdingen, greppels, drooggelegde veengrond, verlaten mijnbouwterrein — hij is vaak de eerste bekerplant die na een kaalslag terugkomt, en op veel plaatsen de laatste die het volhoudt. Waar de andere soorten van dit geslacht bij verstoring meteen verdwijnen, houdt deze zich er staande, mits het nat blijft.
Verspreiding en hoogte
Het grootste areaal van het geslacht, met afstand. De verspreidingsgegevens noemen achttien regio's: Myanmar, Thailand, Laos, Cambodja en Vietnam, Zuidoost-China en Hainan, verder Malakka, Sumatra, Java, Borneo, de Kleine Soenda-eilanden, Sulawesi, de Molukken, de Filipijnen, Nieuw-Guinea en de Caroline-eilanden, en ten slotte Queensland in Noord-Australië. Dat loopt van ongeveer vijfentwintig graden noorderbreedte tot een graad of vijftien zuiderbreedte, over twee werelddelen en de hele archipel ertussen. Cheek en Jebb tekenen daarbij aan dat hij binnen Malesië vrijwel overal voorkomt behalve in de noordelijke Filipijnen en de oostelijke Kleine Soenda-eilanden. Geen andere Nepenthes haalt meer dan een fractie daarvan; de meeste zitten op één eiland of één berg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Over zo'n areaal is de variatie groot, maar hij is zelden in vaste vormen te vangen: de bekers verschillen van vindplaats tot vindplaats in grootte, kleur en slankheid zonder dat daar een grens in te trekken valt. Twee variëteiten houden wel stand. Var. echinostoma is beperkt tot Borneo en heeft een buitengewoon breed, ver uitstaand peristoom — Beccari vond hem in 1865 en Hooker beschreef hem in 1873 zelfs als aparte soort. Var. globosa komt van de kust bij de Andamanse Zee in Thailand, bij Trang en op een eiland voor Phang Nga, en heeft korte, bolronde bekers. Oudere namen als var. biflora, var. simensis en var. smilesii worden niet meer aangehouden. Daarnaast vormt de soort meer natuurlijke hybriden dan enige andere Nepenthes, onder meer met N. ampullaria, N. gracilis, N. rafflesiana en N. alata.
Waar en wanneer te zien
De makkelijkste bekerplant om te vinden die er is: rijd in het laagland langs een natte wegberm of een afwateringssloot en kijk naar de kant. Aan de noordrand van het areaal staat hij in Hongkong, waar hij onder de bosverordening beschermd is; aan de zuidrand op Kaap York in Queensland. Zoek de rozet op de grond en houd het blad tegen het licht: de gefranjerde rand van de rozetbladeren is met het blote oog te zien en beslist de determinatie meteen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op de Rode Lijst en, als alle Nepenthes, in CITES bijlage II. Van alle soorten in deze gids is dit de minst kwetsbare: hij is wijd verbreid, verdraagt zon, verstoring en snoei, en vestigt zich op pas omgewoelde grond. Dat betekent niet dat hij overal blijft. Aan de randen van zijn areaal — Zuid-China, Hongkong, Australië — zijn de vindplaatsen klein en telbaar, en ontwatering, bebouwing en het dempen van moerassen laten ze een voor een verdwijnen; in Hongkong is de soort daarom apart beschermd. Wat hem overeind houdt is niet dat hij nergens verliest, maar dat hij elders steeds weer opnieuw begint.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes mirabilis | (Loureiro) Druce, 1917
De soort werd al in 1790 door João de Loureiro beschreven, als Phyllamphora mirabilis. Zij werd later overgeplaatst naar het geslacht Nepenthes; de correcte combinatie Nepenthes mirabilis wordt doorgaans toegeschreven aan George Claridge Druce (1916), al vermeldt Jan Schlauers database een eerdere publicatie door Rafarin uit 1869. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald; de soort heeft verreweg de ruimste verspreiding van het hele geslacht, van China in het noorden tot Australië in het zuiden. De naam is Latijn voor "wonderbaarlijk" — de wetenschappelijke naam betekent letterlijk "de wonderbaarlijke bekerplant".
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.