Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes mikei
Nepenthes mikei
Een kleine, donkere bekerplant van de bergkammen van Noord-Sumatra, ontdekt in de late jaren tachtig, toen liefhebber-onderzoekers de bergen rond het Tobameer systematisch begonnen af te zoeken. Die zoektochten brachten in korte tijd meerdere nieuwe soorten aan het licht. Bruce Salmon, Mike Hopkins en Ricky Maulder vonden haar in september 1989 op de Gunung Pangulubao; Salmon en Maulder beschreven Nepenthes mikei in 1995 in Carnivorous Plant Newsletter en noemden haar naar Hopkins. Het is een slanke plant met bijna zwarte bekers, die op open, winderige kammen groeit waar het nevelwoud overgaat in laag struikgewas.



Herkenning
Een ranke klimplant tot ongeveer 3 m, uitzonderlijk tot 9 m, met een dunne, iets zigzaggende stengel van 2 tot 3 mm en leden van 3 tot 5 cm. De rozetbladeren zijn smal, 3 tot 7 cm lang; de bladeren aan de klimstengel smal omgekeerd lancetvormig, 3,5 tot 15 cm lang en tot 2,5 cm breed, met een vleugelachtige voet. De stengel is kaal, op een plukje witte haren rond de okselknop na. De onderbekers zijn onderaan eivormig en bovenaan cilindrisch, 3,5 tot 11,5 cm hoog en hooguit 2 cm breed, met twee smalle, gefranjerde vleugels, een dun, rond peristoom van nauwelijks 1 mm en een elliptisch deksel tot 2 cm. Het spoortje onder het deksel is typisch: in twee tot zes (volgens andere opgaven tot twaalf) draden gesplitst, 4 tot 6 mm lang. De bovenbekers zijn in het midden sterker ingesnoerd, 3,5 tot 13 cm hoog, zonder vleugels. Levend zijn stengel en bekers paarszwart, met hier en daar crèmekleurige spatten.
Gelijkende soorten
De naaste verwanten zijn Nepenthes angasanensis en N. tobaica. N. tobaica is lichter van kleur (groen tot geelgroen met rood), heeft bredere bladschijven, een langere bloeiwijze met bloemstelen die twee bloemen dragen, en een ongedeeld of hooguit twee- of driedelig spoortje. N. angasanensis lijkt sterk op N. mikei en wordt door sommige auteurs ermee samengevoegd; ze vormt ondergrondse uitlopers, heeft iets langere peristoomtanden, een grotere dichtheid aan verteringsklieren en groeit ook epifytisch in schaduwrijk bos. N. gymnamphora heeft brede vleugels en een duidelijk geribbeld peristoom.
De val en hoe hij werkt
Een smalle buisval met een zeer smal peristoom. Bij zo'n dun, rond peristoom speelt de gladde rand een kleinere rol dan bij soorten met een breed peristoom; de nectarklieren onder het deksel en op de rand lokken vooral kleine insecten, die bij vocht over de rand de beker in glijden. In de onderbekers, verzonken in mos en strooisel, belanden vooral mieren en andere lopende dieren. De binnenwand draagt verteringsklieren van 0,2 tot 0,3 mm in een dichtheid van 150 tot 180 per vierkante centimeter.
Standplaats en ecologie
Open bergkammen met laag struikgewas en bemost bergbos (B1, R5), tussen 1100 en 2500 m (andere bronnen tot 2800 m). De soort groeit altijd op de grond, bij voorkeur op blootgestelde plekken op de kam, waar de vegetatie laag en open is en de plant veel licht krijgt. Daar is het ook winderig en de bodem een dunne laag humus, mos en strooisel op de ondergrond. In gesloten bos is ze veel minder te vinden.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, in de provincies Aceh en Noord-Sumatra: volgens Cheek & Jebb (2001) van de Puncak Angasan in Aceh zuidwaarts tot rond het Tobameer. Bekende vindplaatsen zijn de Gunung Pangulubao bij het Tobameer, waar ze ontdekt werd, en de Gunung Bandahara in Aceh. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Natuurlijke hybriden zijn gemeld met N. diatas (op de Gunung Bandahara tussen 2300 en 2700 m algemeen), N. gymnamphora (informeel N. × pangulubauensis genoemd), N. ovata en N. spectabilis. Op de Pangulubao, waar vijf of meer soorten samen groeien, zijn die hybriden een wezenlijk deel van de bekerplanten in het veld. De verhouding tot N. angasanensis is onopgelost: Cheek & Jebb (2001) behandelen die naam niet als aparte soort, terwijl latere Indonesische auteurs haar wel erkennen.
Waar en wanneer te zien
De Gunung Pangulubao bij het Tobameer is de klassieke plek, en een van de rijkste bekerplantenbergen van Noord-Sumatra; hier staan ook N. ovata, N. spectabilis, N. rhombicaulis en N. gymnamphora. Zoek N. mikei op de open, winderige delen van de kam, niet in het dichte bos. De bekers zijn klein en bijna zwart en vallen in het mos slecht op: kijk naar de dunne, zigzaggende stengels die door het struikgewas omhoog lopen, en volg de ranken naar beneden.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als kwetsbaar (Vulnerable, beoordeling uit 2000), op grond van het beperkte verspreidingsgebied en genoemde bedreigingen: habitatverlies, verstoring en overmatig verzamelen. Clarke (2001) wees erop dat grote populaties binnen beschermde gebieden liggen en dat een lagere categorie te verdedigen zou zijn. Als lid van het geslacht staat de soort in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes mikei | Salmon & Maulder, 1995
Nepenthes mikei werd in 1995 beschreven door Bruce Salmon en Ricky Maulder, in Carnivorous Plant Newsletter 24(3): 77-85. Het typemateriaal werd oorspronkelijk in september 1989 verzameld tijdens een Nepenthes-expeditie, op een zeer steile bergkam in nat mosbos nabij de top van de berg Pangulubao, Noord-Sumatra, op 2000 m hoogte; het herbarium-exemplaar (B. Salmon & R. Maulder 221719) werd echter pas op 17 februari 1995 geperst, van gekweekt materiaal in Nieuw-Zeeland, en ligt in het Auckland Institute and Museum. Een zeer steile bergkam nabij de top van de berg Pangulubao, Noord-Sumatra, Indonesië, op 2000 m hoogte. De soortsnaam eert Mike Hopkins, die de soort samen met de beschrijvende auteurs mede-ontdekte.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.