Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes gracilis

Nepenthes gracilis

Wie in het laagland van Maleisië, Singapore of Borneo langs een bermsloot of door een stuk veenbos loopt, ziet grote kans deze soort als eerste bekerplant. Nepenthes gracilis is de gewoonste Nepenthes van Zuidoost-Azië: een slanke klimmer met kleine, smalle bekers, die zowel in ongerept veenmoerasbos als op kale wegbermen staat. Juist deze alledaagse soort bleek in 2012 een vangmechanisme te hebben dat bij geen andere plant bekend was: het deksel werkt bij regen als springplank die insecten de beker in slingert.

Nepenthes gracilis
Foto: Dr. Alexey Yakovlev — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes gracilis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes gracilis — de bloem
De bloem · Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes gracilis — de standplaats
De standplaats · Foto: Scott Zona — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een slanke klimmer, gewoonlijk tot 2 m en soms tot 5 m hoog, met driekantige stengels van 2 tot 4 mm dik. De bladeren zijn smal lancetvormig, meestal 12 tot 19 cm lang en 1,5 tot 2,8 cm breed, zittend en met de voet ver langs de stengel aflopend, met vier tot zes lengtenerven. De onderbekers zijn in de onderste helft ellipsoïde en naar boven licht ingesnoerd en bijna cilindrisch, meestal 8 tot 10,5 cm lang, met twee gefranjerde vleugels van 3 tot 5 mm breed. De bovenbekers zijn nagenoeg cilindrisch, halverwege iets ingesnoerd, meestal 7 tot 14,5 cm lang en tot 4 cm breed, zonder vleugels. Het peristoom is bij beide heel smal, een rond randje van ongeveer een halve millimeter. De kleur varieert: groen, rood, groen met rode vlekken, zelden zwartpaars.

Gelijkende soorten

In het laagland staan vaak meerdere soorten door elkaar. Nepenthes albomarginata heeft eveneens smalle bekers, maar heeft onder het peristoom een opvallende witte band van haartjes. N. mirabilis heeft gesteelde bladeren en grotere bekers met een breder, afgeplat peristoom. N. rafflesiana en N. ampullaria zijn veel forser. Het beste veldkenmerk van N. gracilis is de combinatie van driekantige stengel, smalle zittende bladeren en het haarfijne peristoom. Naast de soort zelf zie je in gemengde populaties vaak hybriden, zoals Nepenthes × trichocarpa met N. ampullaria.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval met een eigen truc. Het peristoom is zo smal dat de gebruikelijke gladde glijbaan hier weinig voorstelt; het deksel neemt een deel van de taak over. De onderkant van het deksel draagt een ongelijke laag waskristallen, iets wat bij geen andere onderzochte soort op die plek is gevonden en dat qua bouw verschilt van de waslaag binnen in de beker. Bij droog weer houden insecten zich op die onderkant goed vast en likken ze aan de weinige nectarklieren — meestal twintig tot dertig. Maar als een regendruppel op het deksel valt, veert het omlaag en weer terug, en een insect dat eronder zit wordt losgeslagen en valt de beker in. Bauer en collega’s toonden dit in 2012 aan met gesimuleerde regen en hogesnelheidsopnamen. Binnenin wonen onder meer mieren van de soort Polyrhachis pruinosa en muggenlarven van Tripteroides.

Standplaats en ecologie

Voedselarme, natte en open grond in het laagland: veenmoerasbos, kerangas (heidebos op arme zandgrond), heide-achtig struikgewas op podzol, moerasranden en verstoorde plekken zoals wegbermen (B4, B3, B5, H1). Hij staat meestal op arme bodems, soms op zandsteen of ultramafisch gesteente, van zeeniveau tot ongeveer 800 m. De soort kan veel licht verdragen en profiteert van open plekken; daardoor is hij een van de weinige bekerplanten die in de buurt van mensen algemeen blijft.

Verspreiding en hoogte

Wijdverbreid in het westelijke deel van Maleisië: Thailand in het zuiden, Cambodja, het Maleisisch schiereiland en Singapore, Sumatra, Borneo en Sulawesi, van zeeniveau tot ongeveer 800 m. Op Borneo en het schiereiland is hij in het laagland plaatselijk zeer talrijk. Het is geen endeem en ook geen zeldzaamheid — juist daarom is hij een goede referentiesoort om andere laaglandsoorten tegen af te zetten.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 111 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In de loop van de tijd zijn veel variëteiten en vormen van N. gracilis beschreven, maar de meeste worden niet meer erkend; ook een reeks vroegere soortnamen, zoals N. teysmanniana en N. korthalsiana, geldt nu als synoniem. De variatie is vooral kleur: groene, rode, groen-rood gevlekte en zeldzaam donker zwartpaarse planten. De soort vormt in het wild gemakkelijk hybriden met andere laaglandsoorten, waaronder N. ampullaria, N. rafflesiana, N. mirabilis en N. albomarginata. DNA-onderzoek plaatst hem als zustergroep van de N. mirabilis-groep.

Waar en wanneer te zien

Kies een stuk kerangas of veenbos in het laagland van Borneo, het Maleisisch schiereiland of Singapore; in Singapore zelf staat hij nog in natuurgebieden en op open plekken. Loop langs bosranden en open, zanderige stukken en kijk naar slanke, groene of rode bekertjes die tussen de struiken hangen. Een kans om het deksel in actie te zien krijg je bij een bui: blijf bij een groep bovenbekers staan en let op insecten die onder het deksel zitten. Omdat het klimaat het hele jaar nat is, is elk seizoen geschikt.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Het verspreidingsgebied is groot, de soort is plaatselijk zeer talrijk en houdt stand op verstoorde grond. Lokale populaties verdwijnen wel bij omzetting van veenmoerasbos in oliepalmplantages en bij grootschalige ontwatering, maar het geheel is niet bedreigd. Als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II; internationale handel in wilde planten vereist een vergunning. De handel draait in de praktijk op gekweekt materiaal.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes gracilis | Korthals, 1840

Nepenthes gracilis werd in 1839 beschreven door Pieter Willem Korthals, in "Over het geslacht Nepenthes" (gepubliceerd 1839-1842 in Verhandelingen over de Natuurlijke Geschiedenis der Nederlandsche overzeesche bezittingen; Kruidkunde). De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald in de toegankelijke bronnen; de soort heeft een van de ruimste verspreidingen van het geslacht, met een groot deel van Zuidoost-Azië. De naam is Latijn voor "slank, tenger" en verwijst naar de fijne, ranke bouw van de plant — dezelfde stam als bij het nauw verwante N. gracillima (superlatief van hetzelfde woord).

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.