Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes dubia
Nepenthes dubia
Een kleine bekerplant met een van de vreemdste deksels van het geslacht: bij de bovenbekers staat het smal, wigvormig en zo ver achterover geslagen dat het voorbij de loodlijn naar achteren wijst, weg van de mond. De soort werd op 29 mei 1917 door H.A.B. Bünnemeijer verzameld op het Talakmau-massief in West-Sumatra, en in 1928 door B.H. Danser beschreven. Danser twijfelde zelf al of het wel een soort was, en vermoedde een kruising van N. inermis met een andere soort; vandaar de naam dubia, 'twijfelachtig'. Latere vondsten hebben laten zien dat het wel degelijk een zelfstandige soort is.

Herkenning
Een kleine klimplant met een ronde stengel tot 3 m lang en hoogstens 4 mm dik; stengel, ranken en bloeiwijze zijn paarsrood. De bladeren zijn ongesteeld, lancet- tot spatelvormig, tot 10 cm lang en 2 cm breed, met drie lengtenerven aan elke kant en een voet die de stengel half omvat. De onderbekers worden weinig gevormd: ze zijn tot 5 cm hoog, onderaan smal trechtervormig en bovenaan eivormig, met twee korte gefranjerde vleugels en een rond peristoom tot 3 mm. De bovenbekers zijn geheel anders: tot 8 cm hoog en 4 cm breed, het onderste deel buisvormig maar zijdelings zo platgedrukt dat de wanden elkaar bijna raken, het bovenste deel een wijde trechter met een ronde, horizontale mond en een rond tot ingerold peristoom tot 4 mm. Het deksel is smal wigvormig, zonder aanhangsels, en altijd meer dan 180 graden teruggeslagen. De kleur loopt van lichtgroen tot geel; oranje en rode vormen zijn bekend.
Gelijkende soorten
Nepenthes inermis heeft dezelfde samengedrukte trechterbekers, maar mist een peristoom vrijwel geheel, heeft minder klieren op het deksel en is meestal groen. N. × pyriformis van de Gunung Talang, lang met N. dubia verward, heeft een breder deksel dat niet verder dan 90 graden wordt teruggeslagen, een beker die onderaan niet platgedrukt is, en een mond die naar achteren oploopt. N. talangensis heeft een breed eirond deksel en een gedrongen, vaak rode beker. N. tenuis werd door sommige auteurs bij N. dubia gevoegd, maar wordt in recente overzichten weer als aparte soort erkend.
De val en hoe hij werkt
Zoals bij N. inermis zit de vangkracht vooral in de vloeistof: de bekers bevatten een dikke, slijmerige vloeistof die tegelijk als valkuil en als vliegenpapier werkt. Kleine vliegende insecten die in de wijde trechter landen of erin vallen, blijven aan de wand of in het vocht kleven. Het ver teruggeslagen deksel laat de mond volledig open, zodat regen vrij toegang heeft; de stroperigheid van de vloeistof voorkomt dat die sterk verdund wordt. De samengedrukte onderkant maakt de ruimte voor vloeistof klein, en de klierzone bedekt het onderste twee derde van de binnenwand.
Standplaats en ecologie
Bergnevelwoud (B1): lager op de helling groeit de soort epifytisch in het montane bos; hoger, boven ongeveer 2400 m, ook op de grond op moskussens in laag, gedrongen bovenmontaan struikgewas (R5). De hoogteverspreiding is 1600 tot 2700 m. Ze deelt die berghellingen met N. gymnamphora, N. izumiae, N. jamban en N. lingulata.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, in het Barisangebergte van West-Sumatra. Lange tijd was de soort alleen van het Talakmau-massief bekend; later is ze op nog één berg in de provincie gevonden. Omdat de soort ernstig bedreigd is, noemt deze gids geen preciezere vindplaatsen. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
De bekers variëren van lichtgroen tot geel, en er zijn oranje en rode vormen bekend; formele variëteiten zijn niet beschreven. Er zijn drie natuurlijke hybriden gemeld: met N. izumiae, die kleine, geelgroene trechterbekers vormt; vermoedelijk met N. jamban (gemeld in 2009); en met N. jacquelineae, van één enkele plant. Planten van de Gunung Talang die Jebb & Cheek (1997) tot N. dubia rekenden, worden nu als de hybride N. inermis × N. talangensis (N. × pyriformis) beschouwd.
Waar en wanneer te zien
Deze soort is ernstig bedreigd en haar standplaatsen zijn klein: zoek haar niet op eigen houtje. Wie het nevelwoud van West-Sumatra bezoekt met een erkende lokale gids of een onderzoeksgroep, herkent haar direct aan het ver achterover geslagen, smalle deksel en de platgedrukte voet van de bovenbeker. Laat planten, bekers en zaad staan, en deel geen locatiegegevens van foto's: bekende vindplaatsen van zeldzame bekerplanten worden snel leeggehaald.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als ernstig bedreigd (Critically Endangered), op grond van het zeer kleine verspreidingsgebied: twee bergen, elk met een beperkte oppervlakte geschikt nevelwoud. Overmatig verzamelen wordt voor deze soort niet als grootste risico gezien, omdat de bekers minder gewild zijn dan die van N. inermis; de kwetsbaarheid zit vooral in de geringe omvang van de populaties en in bedreigingen van het leefgebied zelf, zoals vuur en ontginning van de lagere hellingen. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes dubia | Danser, 1928
Nepenthes dubia werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies" (Bulletin du Jardin Botanique de Buitenzorg, serie III, 9(3-4): 249-438). Het lectotype (Bünnemeijer 938, een deel van een klimmende stengel met bovenste bekers) werd op 29 mei 1917 verzameld door H.A.B. Bünnemeijer en ligt in de Bogor Botanical Gardens (Java) en het Herbarium Lugduno-Batavum (Leiden). De berg Talakmau op Sumatra, Indonesië, op ongeveer 1900 m hoogte. De naam komt van het Latijnse woord voor "twijfelachtig" en weerspiegelt de onzekerheid die Danser destijds had over de taxonomische status van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.