Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes campanulata
Nepenthes campanulata
Een dwerg onder de bekerplanten, met klokvormige bekers van een centimeter of tien, en een soort met een dramatische geschiedenis. Nepenthes campanulata werd in 1957 door Kostermans in Oost-Kalimantan verzameld en in 1973 door Kurata beschreven naar één enkel herbariumexemplaar. De bekende populaties in Kalimantan gingen daarna verloren door bosbranden, en de soort gold als mogelijk uitgestorven tot hij in 1997 werd teruggevonden op kalkwanden in het nationaal park Gunung Mulu in Sarawak, ruim 400 km van de oorspronkelijke vindplaats.

Herkenning
Een kleine rotsplant met korte, cilindrische stengels van 20 tot 50 cm hoog en tot 4 mm dik, die zich via ondergrondse uitlopers verspreidt en grote pollen met veel groeipunten vormt. De bladeren zijn leerachtig en ongesteeld, spatel- tot lancetvormig, tot 12 cm lang en 2 cm breed, met een afgeronde, iets schildvormige top en een stengelomvattende voet. De ranken zijn heel kort en stijf, zelden langer dan 4 cm. De plant maakt maar één soort beker: klokvormig, geelgroen, tot 10 cm hoog en 5,5 cm breed, meestal zonder gefranjerde vleugels maar met twee richels aan de voorkant. De mond is rond en horizontaal, het peristoom sterk gereduceerd met een rij piepkleine tanden, en het deksel elliptisch tot langwerpig, zonder aanhangsels. De plant is geheel kaal.
Gelijkende soorten
Er is op Borneo geen soort die er echt op lijkt: de combinatie van kleine, klokvormige geelgroene bekers aan zeer korte ranken, een nauwelijks zichtbaar peristoom en een groeiwijze in pollen op kalkwanden is uniek. Morfologisch wordt de soort vergeleken met Nepenthes inermis van Sumatra, die ook een gereduceerd peristoom heeft, maar die is een epifyt van 1500 tot 2600 m hoogte en groeit ver weg; een nauwe verwantschap is niet aangetoond. Natuurlijke hybriden zijn niet bekend.
De val en hoe hij werkt
Een val die het van zijn vorm moet hebben, niet van zijn peristoom. De rand is zo gereduceerd dat er nauwelijks een glad platform is; de mond staat horizontaal en de klok wordt naar boven toe wijder, zodat een insect dat op de rand landt en uitglijdt gemakkelijk naar binnen valt. De verteringsklieren liggen alleen in het onderste kwart van de binnenwand. De ranken zijn zo kort dat de bekers vlak bij de bladeren tegen de rotswand hangen. Over de prooi is niets gepubliceerd.
Standplaats en ecologie
Vochtige, bemoste plekken op kalksteenwanden (R2, R1), in het laagland op 100 tot 300 m hoogte. De plant groeit als lithofyt direct op de rots, in schaduwrijke tot halfschaduwrijke situaties waar mos en sijpelwater de wand vochtig houden. Met zijn ondergrondse uitlopers vormt hij dichte kussens op richels en in spleten. Het is daarmee een van de weinige laaglandsoorten van Borneo die uitsluitend op kalk groeien.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo. Het oorspronkelijke vindgebied lag in Oost-Kalimantan; de enige met zekerheid bekende populaties staan nu op kalksteen in het nationaal park Gunung Mulu in Sarawak, Maleisië. In 2013 werd een vondst van Palawan in de Filipijnen gemeld, die nog niet is bevestigd. Hoogte: 100 tot 300 m. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (Borneo) klopt.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven en geen natuurlijke hybriden bekend. De bekers zijn vrij eenvormig geelgroen. Omdat de plant maar één soort beker maakt, is er niet het gebruikelijke contrast tussen onder- en bovenbekers. Bloemen en vruchten waren onbekend tot de herontdekking in 1997; het typemateriaal van Kurata bevatte geen bloeiwijze.
Waar en wanneer te zien
In het nationaal park Gunung Mulu in Sarawak groeit de soort op kalkwanden in het laagland; het park heeft een netwerk van paden en plankieren, en parkgidsen kennen de bekerplanten. Zoek op beschaduwde, bemoste kalkwanden naar dichte kussens van kleine, smalle bladeren met geelgroene klokjes. De planten staan vaak buiten handbereik; een verrekijker is voldoende. Klimmen op de kalkwanden is in het park niet toegestaan en de rots is scherp.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als kwetsbaar (Vulnerable; beoordeling 2014). De oorspronkelijke populaties in Kalimantan zijn door bosbranden verdwenen, en droogte met branden, zoals in El Niño-jaren, blijft de grootste bedreiging voor kalkflora in het laagland. De populaties in Gunung Mulu liggen in een streng beschermd nationaal park en werelderfgoed, wat de soort voorlopig een veilige basis geeft. De soort staat in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes campanulata | Kurata, 1973
Nepenthes campanulata werd in 1973 beschreven door Shigeo Kurata, op basis van een enkel exemplaar (Kostermans 13764) dat op 9 september 1957 op de berg Ilas Bungaan (noordoost-Borneo) werd verzameld, op 300 m hoogte tussen zand en kalksteenwanden; het materiaal ligt in het herbarium van de Singapore Botanic Gardens. De soort werd later verondersteld uitgestorven nadat bosbranden deze populatie hadden verwoest, maar werd in 1997 herontdekt in Gunung Mulu National Park, Sarawak — meer dan 400 km van de oorspronkelijke typelocatie. De berg Ilas Bungaan, noordoost-Borneo, op 300 m hoogte. De naam komt van het Laatlatijnse "campanulatus" ("klokvormig") en verwijst naar de karakteristieke vorm van de beker.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.