Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes aristolochioides
Nepenthes aristolochioides
Een bekerplant die op een pijpbloem lijkt. De bekers van Nepenthes aristolochioides hebben de vorm van een opgeblazen bol met een mond die vrijwel verticaal aan de voorkant zit, in plaats van bovenop, zodat ze doen denken aan de bloemen van Aristolochia, waarnaar de soort genoemd is. Willem Meijer verzamelde het typemateriaal op 5 augustus 1956 in het bergland van Jambi; het bleef ruim dertig jaar onopgemerkt in het herbarium liggen, tot Joachim Nerz het in 1988 terugvond. In juni 1996 vond Nerz de eerste levende planten terug, en in 1997 beschreven Matthew Jebb en Martin Cheek de soort formeel.



Herkenning
Een klimplant met een ronde stengel van 2 tot 4 mm en leden van 5,5 tot 13 cm. De bladeren zijn leerachtig, ongesteeld, smal lancetvormig tot spatelvormig, 7,5 tot 15 cm lang en 1 tot 3 cm breed, en omvatten de stengel voor een derde tot de helft. De bovenbekers zijn het kenmerk: onderaan trechtervormig, daarboven omgekeerd eivormig opgezwollen tot een bol, tot 9 cm hoog en 3,5 cm breed. De mond zit bijna verticaal aan de voorkant van die bol, eirond en tot 2 cm breed. Het peristoom is aan de buitenkant rond en smal (1,5 mm), aan de binnenkant afgeplat en tot 8 mm breed, zodat het een soort ingangsgang vormt. Het deksel is rond, ongeveer 2,7 bij 2,1 cm; het spoortje is ongedeeld, ongeveer 9 mm, met twee tot vier punten. De bekers zijn wit tot roodachtig met talrijke roodbruine tot paarse spikkels die naar de mond toe dichter worden; het peristoom is donker roodbruin tot paars. Onder- en bovenbekers verschillen bij deze soort weinig.
Gelijkende soorten
Er is geen andere Sumatraanse soort met zo'n verticale, zijwaartse mond. De naaste verwant is Nepenthes talangensis, met een vergelijkbaar opgezwollen beker, maar een horizontale mond en een korte hals. N. klossii van Nieuw-Guinea heeft eveneens een schuin naar voren gerichte mond, maar is niet nauw verwant; de gelijkenis wordt als convergente evolutie gezien. De hybride met N. singalana heeft kleinere bekers, zelden hoger dan 5 cm, met een schuine in plaats van verticale mond.
De val en hoe hij werkt
Een val die meerdere principes combineert. Het bovenste deel van de bol is doorschijnend, zodat licht door de wand naar binnen valt: vliegende insecten die de beker in kruipen, oriënteren zich op dat licht in plaats van op de uitgang, zoals ook bij sommige Noord-Amerikaanse bekerplanten. Het brede, ingerolde peristoom vormt een ingang als bij een kreeftenfuik. Onderin staat een uiterst dikke, slijmerige vloeistof die mede als vliegenpapier werkt. De prooi bestaat vooral uit kleine vliegen. Er is in de bekers geen infauna gevonden, terwijl die in de bekers van het naast groeiende N. singalana juist overvloedig is.
Standplaats en ecologie
Bemost bergnevelwoud met veel veenmos, vlak onder de toppen van steile bergkammen (B1), tussen ongeveer 1800 en 2500 m. De soort groeit meestal op de grond in de dikke moslaag, soms epifytisch op bemoste stammen. Ze groeit er samen met N. gymnamphora en N. singalana. Het klimaat is koel, de bewolking vrijwel permanent.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, in het Barisangebergte van de provincie Jambi, in het gebied van de Gunung Kerinci en de Gunung Tujuh. Rond 2009 waren drie deelpopulaties bekend binnen het Nationaal Park Kerinci Seblat; de typevindplaats zelf is mogelijk door stroperij verdwenen. Omdat de soort ernstig bedreigd is, noemt deze gids geen preciezere vindplaatsen. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen in het wild beschreven; de kleur varieert van bijna wit met fijne spikkels tot overwegend roodachtig. Eén natuurlijke hybride is bekend, met N. singalana, op dezelfde berg; die heeft kleinere bekers met een schuine mond en staat qua vorm tussen de ouders in. Zulke hybriden kunnen in het veld voor jonge planten van de soort worden aangezien.
Waar en wanneer te zien
Deze soort is ernstig bedreigd en lijdt juist onder bezoek door verzamelaars; ze hoort niet thuis op een zoeklijst. Wie het Nationaal Park Kerinci Seblat bezoekt, doet dat met de verplichte vergunning en een erkende gids, en blijft op de gebaande paden. Mocht je de soort toch tegenkomen, fotografeer dan zonder te betreden, raak de planten en de moslaag niet aan, en deel geen locatiegegevens: de typevindplaats is waarschijnlijk juist door zulke informatie leeggeroofd.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als ernstig bedreigd (Critically Endangered, beoordeling uit 2013). De grootste bedreiging is overmatig verzamelen: de ongewone bekervorm maakt de soort zeer gewild, en de typevindplaats is vermoedelijk door stroperij verdwenen. De resterende deelpopulaties liggen binnen een nationaal park, wat bescherming op papier geeft maar geen garantie tegen illegaal verzamelen. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Sinds 2010 is er een programma voor ex-situbehoud van deze en enkele andere bedreigde soorten.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes aristolochioides | Jebb & Cheek, 1997
Nepenthes aristolochioides werd in 1997 beschreven door Matthew Jebb en Martin Cheek in hun herziening "A skeletal revision of Nepenthes (Nepenthaceae)" (Blumea), op basis van een holotype (Meijer 6542) dat Willem Meijer al op 5 augustus 1956 had verzameld op de berg Tujuh in Jambi (2000 m), Sumatra; het exemplaar verkeert in het Nationaal Herbarium Nederland (Leiden) in slechte staat. De berg Tujuh (Tudjuh) in Jambi, Sumatra, op 2000 m hoogte. De soortsnaam is afgeleid van het plantengeslacht Aristolochia met het Latijnse achtervoegsel "-oides" ("lijkend op"), en verwijst naar de opvallende gelijkenis van de vormgeving en kleur van de beker met de bloemen van Aristolochia.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.