Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera subtilis
Drosera subtilis
De vreemde eend in deze reeks. Drosera subtilis is geen plant van het Zuidwest-Australische winterregengebied, maar van het tropische noorden: de zandsteenplateaus van de Kimberley en één plek in het Northern Territory. En hij is, anders dan zijn naaste verwanten, geen knolplant maar een eenjarige, die in de natte zomer van het noorden groeit en bloeit.

Herkenning
Een rechtopstaande eenjarige plant met een roodachtige stengel tot 20 cm hoog en dunne, vlezige wortels; een knol ontbreekt. Langs de stengel staan kleine vangbladeren. De bloeiwijze kan vijftig of meer bloemen dragen. De bloemen zijn wit en hebben vier kroonbladen — ongewoon, want de meeste zonnedauwen hebben er vijf — met vier witte meeldraden van 1,3 tot 1,5 mm, geel stuifmeel en twee stijlen. Bloei in februari en maart.
Gelijkende soorten
In het tropische noorden van Australië groeien vooral zonnedauwen uit de petiolaris-groep: rozetplanten met sterk behaarde bladstelen, die niets op D. subtilis lijken. Rechtopstaande, fijne zonnedauwen met witte bloemen zijn er zeldzaam; de vierbladige bloemen en de grote aantallen bloemen per bloeiwijze zijn voor D. subtilis karakteristiek. Nadere verwisselingssoorten worden in de geraadpleegde bronnen niet genoemd.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval, maar dan hoog boven de grond. De bladeren langs de stengel zijn klein, schildvormig en vaak komvormig, met langere tentakels langs de rand en kortere op de schijf. Vliegende insecten — muggen, kleine vliegen, soms bijen of vlinders die op de bloemen afkomen — raken de druppels en blijven hangen. De randtentakels buigen daarna naar binnen en het schijfje sluit zich deels om de prooi, waarna de klieren enzymen afscheiden en de opgeloste voedingsstoffen opnemen. Doordat de vallen verspreid langs een rechtopstaande of klimmende stengel zitten, bestrijkt de plant een veel groter luchtruim dan een rozet aan de grond.
Standplaats en ecologie
Over zandsteen, langs de randen van sijpelplekken, in dun zandsteenzand vermengd met zwarte humus (R1, D2). In het natte seizoen sijpelt hier water uit het gesteente; in het droge seizoen verdroogt alles, en de plant overleeft dan alleen als zaad.
Verspreiding en hoogte
Noord-Australië: het noorden van West-Australië — de Kimberley, met vindplaatsen bij Beverley Springs, op Bigge Island en in de omgeving van het Mitchell Plateau — en één plek in het Northern Territory, bij Little Nourlangie Rock. Het veld 'endemisch' slaat hier op Noord-Australië, niet op het zuidwesten. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
N.G. Marchant beschreef de soort in 1982. Ze wordt geplaatst in sectie Ergaleium, de knoldragende rechtopstaande en klimmende zonnedauwen — opmerkelijk, omdat zij zelf geen knol heeft. Die plaatsing berust op andere kenmerken, maar laat zien dat de indeling van deze groep nog in beweging is. Er worden geen ondersoorten onderscheiden.
Waar en wanneer te zien
Februari en maart zijn de maanden, aan het eind van het natte seizoen; de Kimberley is dan grotendeels onbereikbaar over de weg. Het Mitchell Plateau en de omringende gebieden zijn afgelegen en vragen goede voorbereiding. Zoek bij zandsteen waar water uit de rots sijpelt, en kijk naar fijne, rode stengeltjes met veel kleine witte bloemen.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. De vindplaatsen liggen in afgelegen, weinig verstoord gebied. De geraadpleegde bronnen noemen geen specifieke bedreigingen; veranderingen in brandregime en in de natte-seizoenpatronen zijn algemene risico's voor planten van sijpelzones in dit landschap.
Wetenschappelijke naam
Drosera subtilis | Marchant, 1982
Drosera subtilis werd in 1982 beschreven door de Australische botanicus Neville Gordon Marchant, in Flora of Australia, deel 8, p. 385 (in het Droseraceae-hoofdstuk van Marchant & George). De precieze typelocatie en verzamelgegevens konden niet met zekerheid worden achterhaald. De soort komt voor in het noorden van West-Australië en op één vindplaats in het Northern Territory (bekende groeiplaatsen zijn onder meer Beverley Springs Station, Bigge Island, het Mitchell Plateau en bij Nourlangie Rock), maar welke van deze de typelocatie is, is niet bevestigd. De naam subtilis is Latijn voor "fijn, subtiel, tenger" en verwijst naar het slanke, ijle voorkomen van deze kleine, rechtopstaande eenjarige soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.