Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera stipularis

Drosera stipularis

Drosera stipularis werd in 2020 beschreven als nieuwe soort van het D. petiolaris-complex, en is alleen bekend uit het Kaap York-schiereiland in Queensland. De naam verwijst naar het opvallendste kenmerk: witte steunblaadjes aan de voet van de bladeren die duidelijker omhoog steken dan bij verwante soorten. De soort groeit in kleine plekjes wit kwartszand in de heide.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een kleine rozet van ongeveer 2,5 cm breed, die met de jaren op een slank stammetje van afgestorven oude bladeren komt te staan, tot zo'n 2 cm hoog. De plant is meestal helderrood, of rood met olijfgroene ondertonen. De bladstelen zijn plat en iets toelopend, aan de bovenzijde schaars en aan de onderzijde dicht bezet met witte, vertakte haren; de ronde bladschijf is ten opzichte van de steel naar beneden omgebogen. Aan de bladvoeten steken prominente witte steunblaadjes omhoog. De bloeiwijze wordt tot 13 cm lang, heeft kale bloemstelen en draagt tot 35 witte bloemen van ongeveer 1 cm doorsnee met omgekeerd eironde kroonbladen.

Gelijkende soorten

De soort is volgens de beschrijvers verwant aan Drosera petiolaris en D. lanata. Ze onderscheidt zich door het slanke stammetje, de naar beneden omgebogen bladschijf, de kale bloemstelen en vooral de opvallend opstaande witte steunblaadjes. D. paradoxa vormt eveneens een stengel, maar die wordt tot 30 cm hoog en de soort groeit ver weg, in de Kimberley en het Northern Territory. D. burmannii, die in dezelfde streek kan voorkomen, vormt een vlakke rozet van wigvormige bladeren zonder lange stelen.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De kleine, naar beneden omgebogen bladschijfjes dragen kliertentakels met kleverig slijm; kleine insecten die op het zand kruipen of laag vliegen blijven eraan hangen, waarna de tentakels naar de prooi buigen. De dichte witte beharing van de stelen en de steunblaadjes spelen geen rol bij de vangst, maar beschermen de plant waarschijnlijk tegen uitdroging en hitte.

Standplaats en ecologie

Kleine, schaarse plekjes fijn kwartszand (D1) in struikrijke heide (B5), op plekken die in de regentijd vochtig worden (W7). Volgens de beschrijvers is de soort alleen bekend van witte zandhabitats.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het Kaap York-schiereiland in Queensland, in de omgeving van Cooktown. Precieze vindplaatsen worden hier bewust niet vermeld, omdat het een recent beschreven soort met een klein bekend areaal is. De gebiedsomschrijving 'Queensland' klopt, maar is ruim. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. Volgens de beschrijvers worden in tropisch Noord-Australië veertien soorten in het D. petiolaris-complex erkend, alle in de sectie Lasiocephala, die wordt gekenmerkt door witte haren op de bladstelen. Oudere waarnemingen van D. petiolaris of D. lanata uit de omgeving van Cooktown kunnen op deze soort betrekking hebben.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de regentijd en het begin van de droge tijd naar plekjes kaal wit zand tussen de heidestruiken. De felrode, kleine rozetten met hun witte steunblaadjes steken scherp af tegen het witte zand. De groeiplaatsen zijn klein en kwetsbaar: loop er niet overheen, neem niets mee en betreed geen Aboriginal land of beschermd gebied zonder toestemming.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Het bekende areaal is klein en de plekjes wit zand waarop hij groeit zijn gevoelig voor betreding, voertuigen, veranderingen in het brandregime en zandwinning. Omdat de soort pas recent is beschreven, ontbreekt een formele beoordeling van de beschermingsstatus nog.

Wetenschappelijke naam

Drosera stipularis | Baleeiro, Jobson & Barrett, 2020

Drosera stipularis is een recent beschreven soort, gepubliceerd in 2020 door Baleeiro, Jobson & R.L.Barrett in het tijdschrift Telopea, deel 23, p. 36. Het holotype werd op 13 april 2016 verzameld door R.W. Jobson en P.C. Baleeiro in Australië, in Queensland (Cape York Peninsula, Cook-district), op de plek "Starcke, on track to Cape Melville" (langs het pad naar Cape Melville). De naam stipularis is afgeleid van het Latijnse stipula ("steunblaadje, stipula") en verwijst naar de opvallende stipulae (steunblaadjes) die kenmerkend zijn voor deze soort. Het is dus een beschrijvende naam, geen eerbetoon aan een persoon of plaatsnaam.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.