Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera salina

Drosera salina

Een kleine, rechtopstaande knolzonnedauw van de zoutmeren in het zuiden van West-Australië — een omgeving waar men geen vleesetende plant zou verwachten. Drosera salina staat niet in het zout zelf, maar op zoutvrij zand langs de randen van zoutmeren, en is van maar weinig plaatsen bekend.

Drosera salina
Foto: Hugo Innes — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een meerjarige knolplant met een rechtopstaande stengel tot 7 cm hoog, waarlangs kleine, beklierde vangbladeren staan. De bloemen zijn wit en verschijnen van juli tot september. Nauwkeurige maten van blad en bloem zijn in de geraadpleegde bronnen niet vermeld; die velden blijven leeg.

Gelijkende soorten

Op dezelfde zoutmeerranden groeit Drosera zigzagia, eveneens een kleine, rechtopstaande knolzonnedauw; die heeft een zigzaggende stengel en gele bloemen, terwijl D. salina wit bloeit. Andere rechtopstaande knolzonnedauwen van het zuiden groeien niet aan zoutmeren; de standplaats is hier dus een belangrijke aanwijzing.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, maar dan hoog boven de grond. De bladeren langs de stengel zijn klein, schildvormig en vaak komvormig, met langere tentakels langs de rand en kortere op de schijf. Vliegende insecten — muggen, kleine vliegen, soms bijen of vlinders die op de bloemen afkomen — raken de druppels en blijven hangen. De randtentakels buigen daarna naar binnen en het schijfje sluit zich deels om de prooi, waarna de klieren enzymen afscheiden en de opgeloste voedingsstoffen opnemen. Doordat de vallen verspreid langs een rechtopstaande of klimmende stengel zitten, bestrijkt de plant een veel groter luchtruim dan een rozet aan de grond.

Standplaats en ecologie

Zoutvrij zand aan de randen van zoutmeren (D4, D1). De soortnaam verwijst naar die zoute omgeving, maar de plant zelf staat op de hogere, uitgeloogde zandrand, niet op de zoutkorst. Op zulke randen is hij samen met Drosera zigzagia gevonden, in een gezelschap waartoe ook Stylidium-soorten, Levenhookia leptantha en Frankenia behoren.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor West-Australië, op een klein aantal plaatsen van ten noorden van Albany oostwaarts tot ten noordwesten van Esperance. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 7 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

N.G. Marchant en Allen Lowrie beschreven de soort in 1992. Er worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden.

Waar en wanneer te zien

Juli tot september, wanneer de witte bloemen open staan. Zoek op de zandige rand van zoutmeren, net boven de zoutkorst — niet op het meer zelf, dat na regen verraderlijk zacht kan zijn. Omdat de soort zeldzaam en plaatsgebonden is, geldt: kijken, fotograferen, niets verplaatsen.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als kwetsbaar (VU) beoordeeld; niet in CITES. In West-Australië staat de soort bovendien als Priority Two geregistreerd: slecht bekend, van weinig plaatsen, deels op onbeschermde grond. De grootste landschappelijke bedreiging van dit soort standplaatsen is de verzilting van de graangordel: door ontbossing stijgt zout grondwater, en zoutvrije randen rond de meren worden daardoor kleiner.

Wetenschappelijke naam

Drosera salina | Marchant & Lowrie, 1992

Drosera salina werd in 1992 beschreven door Neville Gordon Marchant & Allen Lowrie, gepubliceerd in Kew Bulletin, deel 47(2): 320, als onderdeel van het artikel "New names and new combinations in 34 taxa of Western Australian tuberous and pygmy Drosera." Het holotype werd op 14 september 1984 door Allen Lowrie verzameld aan de zuidwestelijke oever van een zoutmeer, ongeveer 72 km ten oosten van Lake King en vervolgens 5 km zuidoostelijk daarvan, in West-Australië; het specimen berust in het herbarium PERTH (nr. 4178998). De soort komt alleen voor in zoutvrij zand aan de rand van zoutmeren, van ten noorden van Albany tot ten noordwesten van Esperance. Het epitheton salina is Latijn voor "zilte" of "zoutminnend" (van sal, "zout") en verwijst rechtstreeks naar de groeiplaats van de soort aan de randen van zoutmeren — een beschrijvende naam.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.