Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera rechingeri

Drosera rechingeri

Een geelbloeiende dwergzonnedauw van de heuvels rond Geraldton, en een van de weinige in dit gebied waarvan de kleur van de bloem al een goede eerste aanwijzing is. Drosera rechingeri werd in 1987 door de Zweedse botanicus Arne Strid beschreven en is tot een klein gebied beperkt.

Drosera rechingeri
Foto: Dr Manfred Jusaitis — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een vezelig bewortelde, meerjarige rozetplant van hoogstens 1,5 cm breed en tot 4 cm hoog met de bloeiwijze. De bouw is die van een typische dwergzonnedauw: een rozetje van gesteelde, ronde bladschijfjes met tentakels, rond een knop van steunblaadjes. De bloemen zijn geel en verschijnen in september en oktober. Nauwkeurige blad- en bloemmaten zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.

Gelijkende soorten

Gele bloemen zijn onder de dwergzonnedauwen niet zeldzaam, maar de meeste geelbloeiende soorten staan elders. Let op de naamsgelijkenis met Drosera rechingerae, een Iraanse soort uit een heel andere groep — een verwisseling die in lijsten voorkomt, maar in het veld niet. Binnen het Geraldton-gebied vraagt een zekere determinatie tegenover andere dwergsoorten een loep en een sleutel; kenmerken van stipelknop, stempels en beharing zijn daarbij beslissend.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen.

Standplaats en ecologie

Bleekgeel of grijs zand (D1), in lage heide en struweel (B5). Nadere gegevens over de standplaats zijn in de geraadpleegde bronnen niet uitgewerkt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor West-Australië, in de Geraldton Hills: het heuvelland rond Geraldton, binnen de gemeenten Greater Geraldton en Northampton. Het bekende areaal is klein. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Arne Strid beschreef de soort in 1987; de naam eert vermoedelijk de Oostenrijkse botanicus Karl Heinz Rechinger, maar dat is in de geraadpleegde bronnen niet bevestigd. Er worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. Zoals andere dwergzonnedauwen vormt ze waarschijnlijk broedknoppen, maar dat is in de geraadpleegde bronnen niet specifiek vastgelegd.

Waar en wanneer te zien

September en oktober zijn de maanden, wanneer de gele bloemen boven de rozetjes staan; zonder bloem is de plant in het bleke zand vrijwel onvindbaar. Het landschap rond Geraldton is grotendeels in cultuur gebracht; resterende heide langs wegen en in reservaten is waar je moet zoeken. Blijf op paden en open niet de berm.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. In West-Australië staat de soort wel geregistreerd als Priority Three: bekend van enkele populaties, waarvan sommige niet in beschermd gebied liggen, en toe aan nadere beoordeling. Het kleine areaal in een grotendeels ontgonnen landschap is de voornaamste zorg.

Wetenschappelijke naam

Drosera rechingeri | Strid, 1987

Drosera rechingeri werd in 1987 geldig beschreven door de Zweedse botanicus Arne Strid, gepubliceerd in het tijdschrift Plant Systematics and Evolution, deel 155, pagina's 339–347 (specifiek vermeld op p. 343). Het holotype werd verzameld in West-Australië, in Kalbarri National Park, nabij een plek bekend als "Z Bend" aan de Murchison-rivier, door Arne Strid op 9 oktober 1982. De soortsnaam eert de Oostenrijkse botanicus Karl Heinz Rechinger (1906–1998), een gezaghebbend flora-onderzoeker van onder meer Zuidwest-Azië en Griekenland, die na zijn pensionering ook in West-Australië verzamelde (o.a. in 1982, hetzelfde jaar waarin het type van deze soort werd verzameld). Dit is dus een eponiem.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.