Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera pycnoblasta

Drosera pycnoblasta

Een dwergzonnedauw van de drogere, oostelijke helft van het Zuidwest-Australische winterregengebied, van de graangordel tot in de mallee en de rand van de Goldfields. Drosera pycnoblasta dankt zijn naam aan het hart van de rozet: een bolvormige, dicht opeengepakte knop van steunblaadjes die in de zomer het groeipunt beschermt.

Drosera pycnoblasta
Foto: 周與恩 in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera pycnoblasta — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Michal Klajban in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine rozet met gesteelde, beklierde bladschijfjes; met de bloeiwijze wordt de plant tot 9 cm hoog. Het beste kenmerk is de stipelknop in het centrum: eenvoudige, brede steunblaadjes die zo dicht op elkaar gepakt zijn dat ze samen een ronde bol vormen. De naam is daar letterlijk van afgeleid: pycnos is 'dicht opeengepakt', blastos 'knop'. De bloemen zijn wit tot roze en verschijnen van september tot november. Nauwkeurige blad- en bloemmaten zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.

Gelijkende soorten

Veel dwergzonnedauwen hebben een stipelknop, maar zelden zo compact en bolrond. Drosera leucoblasta heeft een witte, meer verspreide knop en oranje bloemen; D. parvula en D. pedicellaris bloeien wit maar staan in het westen en noordwesten. Bij twijfel is een loep nodig om de vorm en rangschikking van de steunblaadjes te bekijken.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen.

Standplaats en ecologie

Wit of geel zand (D1), in heide en struweel (B5) en in de open mallee — het lage, meerstammige eucalyptusbos van het droge binnenland (B6). Een waarnemer beschrijft de plant in diep wit zand in de mallee ten noorden van Ravensthorpe, samen met Drosera zonaria. De compacte stipelknop past bij dit drogere milieu.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor het zuiden van West-Australië, van de omgeving van Brookton en Bruce Rock tot Ravensthorpe. FloraBase noemt de biogeografische regio's Avon Wheatbelt, Coolgardie, Esperance Plains, Jarrah Forest en Mallee, en vermeldt de soort uit 23 gemeenten. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 39 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Ludwig Diels beschreef de soort in 1904. Er worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. Zoals alle dwergzonnedauwen vormt ze in de winter broedknoppen in het hart van de rozet; de bolvormige stipelknop is bij deze soort het meest opvallende onderdeel van dat overwinteringsapparaat.

Waar en wanneer te zien

Zoek in september en oktober in open zandplekken van de mallee en de heide op de zandvlakten; de wit-roze bloemen verraden de plant het snelst. Buiten de bloei is de bolle, zilverachtige knop in het hart van de rozet het kenmerk om op te letten. In de zomer is de plant tot die knop teruggetrokken en tussen het zand haast niet te vinden.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES, en in FloraBase aangeduid als niet bedreigd. De soort komt over een groot gebied voor. In de graangordel is veel van haar leefgebied ontgonnen; daar staat zij vooral in bermen en reservaten, verder oostwaarts in de mallee in uitgestrekter natuurlijk terrein.

Wetenschappelijke naam

Drosera pycnoblasta | Diels, 1904

Drosera pycnoblasta werd beschreven door de Duitse botanicus Ludwig Diels, in Botanische Jahrbücher für Systematik, deel 35, pagina 207, in 1904. De soort is endemisch in West-Australië. Diels beschreef veel nieuwe West-Australische soorten op basis van materiaal dat hij samen met Ernst Pritzel tijdens hun expeditie van 1900–1902 had verzameld; vermoedelijk komt het typeexemplaar uit die verzamelingen, maar de precieze verzamelplaats, verzamelaar en -datum konden niet met zekerheid worden bevestigd. Het epitheton pycnoblasta is samengesteld uit het Grieks pyknos ("dicht") en blastos ("scheut, knop"), en betekent dus vermoedelijk "met dicht opeengepakte scheuten/knoppen". Deze uitleg volgt uit de Griekse samenstelling maar kon niet in een aparte etymologische bron worden bevestigd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.