Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera planchonii

Drosera planchonii

Een klimmende zonnedauw uit het zuidoosten van Australië: geen platte rozet, maar een dunne, slingerende stengel die zich met kleverige bladeren aan omringende struiken vasthoudt en daar tot ver boven de grond kan reiken. Drosera planchonii behoort tot de knolvormende zonnedauwen, die de hete, droge zomer als ondergrondse knol doorbrengen en in de koele, natte winter uitlopen. De naam, in 1848 gepubliceerd door Planchon op basis van een naam van Joseph Dalton Hooker, is lang als ondersoort van de West-Australische D. macrantha behandeld en wordt nu weer als eigen soort erkend.

Drosera planchonii
Foto: John Kees — CC0 · Wikimedia Commons
Drosera planchonii — de bloem
De bloem · Foto: Kym Nicolson — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera planchonii — de standplaats
De standplaats · Foto: Rolf Lawrenz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een overblijvende knolplant. Uit de knol groeit in de herfst een dunne, meestal niet of weinig vertakte stengel die door de vegetatie omhoog klimt of eroverheen slingert. De stengelbladeren staan in groepjes en hebben een kleine, schildvormige tot halvemaanvormige bladschijf met tentakels, op een steeltje dat zich om takjes van andere planten kan winden — zo houden de bladeren de plant zelf overeind. Aan de voet van de stengel staan soms enkele kleine grondbladeren. De bloemen verschijnen in de loop van de winter en het voorjaar aan de top van de stengel. Betrouwbare maten en bloemkleur uit een actuele revisie konden voor deze gids niet worden ingezien; de maatvelden blijven daarom leeg.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Drosera macrantha uit West-Australië, waartoe D. planchonii lang als ondersoort werd gerekend; de areaals overlappen niet. In het zuidoosten van Australië kunnen andere klimmende of rechtopgaande knolzonnedauwen, zoals D. auriculata en D. hookeri, op dezelfde plaatsen staan; die hebben een rechtopstaande stengel met aparte grondrozet of een andere bladvorm en bloemkleur. De verschillen zitten vooral in de bouw van de kelk, de beharing en de vorm van de stengelbladeren.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, en een die tegelijk als klimorgaan dient. De tentakels op de kleine bladschijven dragen kleverige druppels die insecten vasthouden; de tentakels buigen naar de prooi, en enzymen verteren haar. Omdat de plant zich tot in de struiklaag opwerkt, vangt hij meer vliegende insecten dan zonnedauwen die plat op de grond liggen. Dezelfde kleverigheid helpt de stengel om aan takjes van andere planten te blijven haken.

Standplaats en ecologie

Open, droge tot vochtige heide en struweel (B5), open eucalyptusbos (B6) en zandige grond (D1), op zure, voedselarme zand- en grindgronden. De standplaatsen zijn in de winter vochtig en in de zomer kurkdroog; de plant ontloopt die droogte door ondergronds als knol te rusten. Hij heeft een ondersteunende vegetatie van lage struiken nodig om in te klimmen en profiteert van open plekken na brand.

Verspreiding en hoogte

Het zuidoosten van Australië: Zuid-Australië en Victoria, waar de soort op geschikte plekken vrij algemeen is, en Tasmanië, waar ze zeldzamer is. De meeste gedocumenteerde waarnemingen komen uit het zuidoosten van Zuid-Australië en het westen en midden van Victoria. Een gepubliceerd hoogtebereik is niet gevonden; het hoogteveld blijft leeg.

Vormen en variatie

Er worden binnen D. planchonii geen variëteiten onderscheiden. De taxonomische geschiedenis is wel ingewikkeld: de naam is achtereenvolgens als soort, als variëteit en als ondersoort van D. macrantha behandeld, en oudere literatuur en veldgidsen gebruiken daarom soms D. macrantha subsp. planchonii voor deze plant.

Waar en wanneer te zien

Ga in de late winter en het vroege voorjaar, als de stengels volgroeid zijn en de plant bloeit. Zoek in open heide en licht eucalyptusbos op zandgrond; de stengels zijn dun en vallen vooral op door het glinsteren van de druppels tussen de takjes van lage struiken. Kijk op een zonnige ochtend, als de bloemen openstaan. Trek nooit aan de stengels: de plant heeft maar één stengel per seizoen en vormt geen nieuwe.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. In Zuid-Australië en Victoria is hij in resterende heide en open bos nog vrij algemeen. Belangrijke bedreigingen zijn het verdwijnen van inheemse vegetatie voor landbouw en bebouwing, te frequente of juist uitblijvende branden, en verstoring van de bodem, die de knollen kan beschadigen.

Wetenschappelijke naam

Drosera planchonii | J.D. Hooker

Drosera planchonii werd in 1848 gepubliceerd door de Franse botanicus Jules Émile Planchon in de Annales des Sciences Naturelles, Botanique, derde reeks, deel 9, pagina 294, op basis van een manuscriptnaam van Joseph Dalton Hooker (vandaar de auteursaanduiding "Hook.f. ex Planch."). De soort is endemisch in Australië (huidige taxonomische behandelingen plaatsen haar als ondersoort van Drosera macrantha); de precieze typelocatie, verzamelaar en verzameldatum konden niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton planchonii is een eponiem dat vermoedelijk de Franse botanicus Jules Émile Planchon (1823–1888) eert, die een belangrijke monografie van de Droseraceae publiceerde (juist in datzelfde werk uit 1848 waarin deze soort werd gepubliceerd); dat de naam specifiek aan hem is opgedragen kon echter niet met volledige zekerheid worden bevestigd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.