Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera petiolaris
Drosera petiolaris
Drosera petiolaris is de naamgever van het D. petiolaris-complex, een groep van inmiddels veertien nauw verwante zonnedauwsoorten van de tropische savannes van Noord-Australië. Het zijn planten die leven in het ritme van de moesson: in de natte tijd groeien en bloeien ze uitbundig, in de droge tijd trekken ze zich terug in een dicht, behaard knopje. D. petiolaris zelf is de meest wijdverbreide soort van de groep en de enige die ook buiten Australië voorkomt, in Nieuw-Guinea.


Herkenning
Een rozet waarvan de bladeren bestaan uit lange, smalle bladstelen die vanuit het hart uitwaaieren, met aan de top een klein, rond vangschijfje met lange klieren. Die combinatie — lange steel, klein rond schijfje — is kenmerkend voor het hele complex. Aan de voet van de bladeren zitten steunblaadjes, en delen van de plant dragen witte haren, een kenmerk van de sectie Lasiocephala. De bloemen staan in trossen op rechtopstaande stengels die ver boven de rozet uitkomen. In de droge tijd maakt de plant kleinere, dicht behaarde bladeren die de groeitop beschermen. Betrouwbare maten waren voor deze gids niet beschikbaar; de maatvelden blijven daarom leeg.
Gelijkende soorten
Binnen het complex zijn de verschillen subtiel en vaak alleen met bloeiend of vruchtdragend materiaal vast te stellen. Drosera dilatatopetiolaris heeft verbrede, groene bladstelen van 3 tot 5 mm; D. fulva heeft roodbruine beharing en hoge bloeiwijzen; D. ordensis is dicht zilverig behaard; D. derbyensis heeft wollig behaarde stelen en bloemstengels; D. stipularis uit Kaap York heeft opvallend opstaande witte steunblaadjes en een kort stammetje; D. lanata is sterk wollig. Waar meerdere soorten samen voorkomen, is determinatie zonder loep en bloemen onbetrouwbaar.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval aan het uiteinde van een lange steel. De ronde schijfjes zijn bezet met klieren die een kleverig slijm afscheiden; kleine vliegen, muggen en mieren die erop landen blijven plakken, en de tentakels buigen naar de prooi. Doordat de schijfjes op lange stelen boven het zand uitsteken, vangen ze vooral laagvliegende insecten boven de natte grond.
Standplaats en ecologie
Seizoensnatte, zandige grond in de tropische savanne: natte laagten, moerasranden en ondiepe depressies die in de regentijd onderlopen en in de droge tijd uitdrogen (W7), open plekken in savannebosland (B6) en natte zandvlakten (D1). De soort staat vaak lager in het landschap en natter dan verwanten zoals D. dilatatopetiolaris, die de hogere, vochtige zandgrond opzoekt.
Verspreiding en hoogte
Noord-Australië — het noorden van West-Australië (Kimberley), het Northern Territory en Queensland — en Nieuw-Guinea. Het type werd tijdens de eerste reis van James Cook door Joseph Banks en Daniel Solander verzameld bij de Endeavour River in Queensland; De Candolle publiceerde de naam in 1824 op basis van een ongepubliceerde beschrijving van Robert Brown. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Lang werd een groot deel van het complex als D. petiolaris in brede zin opgevat. Sinds de jaren tachtig zijn daar door Kondo, Lowrie en anderen veel soorten uit afgesplitst of in ere hersteld, zoals D. dilatatopetiolaris, D. fulva, D. brevicornis, D. darwinensis, D. derbyensis, D. ordensis, D. paradoxa en in 2020 D. stipularis. Ook binnen de huidige D. petiolaris is de variatie groot; oudere gegevens onder deze naam kunnen op andere soorten betrekking hebben.
Waar en wanneer te zien
Het beste moment is het eind van de regentijd en het begin van de droge tijd, als de rozetten volgroeid zijn en de bloeistengels verschijnen. Zoek op open, natte zandgrond in savanne, langs moerasranden en op plekken waar het water na de regen blijft staan. De lange, stervormig uitwaaierende bladstelen met hun rode schijfjes zijn van dichtbij onmiskenbaar. In de droge tijd is de plant een klein, behaard knopje dat nauwelijks opvalt. Pas op voor krokodillen bij water in het noorden van Australië.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Het areaal is groot en omvat uitgestrekte, weinig ontwikkelde savannegebieden. Lokale bedreigingen zijn veranderingen in het brandregime, begrazing en betreding door verwilderd vee en invasieve grassen die open, natte zandplekken dichtgroeien.
Wetenschappelijke naam
Drosera petiolaris | R. Brown ex de Candolle, 1824
Drosera petiolaris werd geldig gepubliceerd door Augustin Pyramus de Candolle in 1824, in deel 1 (pagina 318) van zijn Prodromus Systematis Naturalis Regni Vegetabilis, op basis van een eerdere, ongepubliceerde beschrijving van de Schotse botanicus Robert Brown (vandaar de auteursaanduiding "R.Br. ex DC."). Het typemateriaal werd verzameld bij de Endeavour River in Queensland (Australië) door Joseph Banks en Daniel Solander, tijdens James Cooks eerste reis met het schip HMS Endeavour (1770); de precieze verzameldatum kon niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton petiolaris is beschrijvend Latijn en betekent "voorzien van een bladsteel (petiolus)"; het verwijst vermoedelijk naar de lange, smalle bladstelen die vanuit het midden van de bladrozet van deze soort ontspringen, al werd een expliciete toelichting van de beschrijvers zelf niet teruggevonden.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.