Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera modesta
Drosera modesta
Een slingerende knolzonnedauw met witte bloemen en een bescheiden naam: modesta betekent 'bescheiden'. Ludwig Diels beschreef hem in 1904, in de periode waarin hij na zijn reis door West-Australië de flora van het zuidwesten uitwerkte. Het onderscheidende kenmerk zit niet in de bloem maar in de bladeren: hun tentakels zijn langer dan gewoonlijk bij de klimmende knolzonnedauwen.

Herkenning
Een overblijvende plant die elk jaar uit een ondergrondse knol een slingerende stengel van 30 tot 80 cm maakt, die zich tussen de omringende vegetatie omhoogwerkt. Langs de stengel staan schildvormige vangbladen met opvallend lange tentakels, die de bladeren een wat harig, stekelig uiterlijk geven. De bloemen zijn wit en verschijnen laat in het seizoen, in oktober en november. Precieze blad- en bloemmaten hebben we niet in een geraadpleegde bron gevonden.
Gelijkende soorten
Andere klimmende knolzonnedauwen met witte bloemen, zoals Drosera macrantha en D. pallida, lijken er van een afstand op. D. macrantha heeft grotere bloemen en komvormige bladeren met kortere tentakels. De lange tentakels en de late bloei zijn bij D. modesta de beste kenmerken; daarnaast groeit de soort vaker in de beschutting van granietkoppen en beekoevers.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De schildvormige bladschijfjes dragen lange tentakels met een kleverige druppel aan de top. Door hun lengte vormen die tentakels een wijder vangnet dan bij de meeste verwanten, wat de vangkans op vliegende insecten tussen de struiken vergroot. Na een vangst buigen de tentakels naar het midden van het blad en worden verteringsenzymen afgescheiden.
Standplaats en ecologie
Granietkoppen en beekoevers, op lateriet of zandige klei (R3, D3), vaak tussen struiken en lage vegetatie (B5) waar de stengel steun vindt. Zoals alle knolzonnedauwen groeit de plant in de natte winter en overleeft hij de zomer als knol; de late bloei in oktober en november past bij plekken die langer vochtig blijven.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Zuidwest-Australië. Een nauwkeurige verspreidingsbeschrijving hebben we niet uit FloraBase kunnen halen.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. De soort hoort bij de sectie Ergaleium, de rechtopstaande en klimmende knolzonnedauwen.
Waar en wanneer te zien
Ga in oktober, als de meeste andere knolzonnedauwen al uitgebloeid zijn; de witte bloemen van D. modesta vallen dan meer op. Zoek aan de schaduwkant van granietkoppen en langs beekjes, en kijk van dichtbij naar de bladeren: de lange tentakels zijn met het blote oog te zien.
Staat van instandhouding
Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC). In CITES is hij niet opgenomen. Granietkoppen en beekoevers worden in het zuidwesten bedreigd door betreding, onkruid en veranderingen in de waterhuishouding. Onzekerheid: de verspreiding binnen Zuidwest-Australië hebben we niet in detail kunnen controleren.
Wetenschappelijke naam
Drosera modesta | Diels, 1904
Drosera modesta werd in 1904 beschreven door Ludwig Diels, in Botanische Jahrbücher für Systematik, deel 35, p. 209. Er kon geen betrouwbaar type-specimen met verzamelgegevens worden teruggevonden. De soort is endemisch voor West-Australië en groeit op granietrotsen en langs beekoevers, maar een precieze typelocatie, verzamelaar of datum kon niet met zekerheid worden achterhaald. De naam komt van het Latijnse modestus/modesta, "bescheiden, ingetogen" — vermoedelijk een beschrijvende naam die verwijst naar het onopvallende, bescheiden voorkomen van de plant (vandaar ook de Engelse naam "modest rainbow"), al kon de precieze toelichting van Diels zelf niet worden teruggevonden.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.