Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera hartmeyerorum

Drosera hartmeyerorum

Een eenjarige zonnedauw uit het tropische noorden van Australië, en daarmee een buitenbeentje in een reeks die verder vooral uit Zuidwest-Australische knol- en dwergzonnedauwen bestaat. Drosera hartmeyerorum hoort bij de verwantschap van Drosera indica: planten die in het natte seizoen uit zaad opkomen, in een paar maanden bloeien en zaad zetten, en met de droge tijd weer verdwijnen. De naam eert Siegfried en Irmgard Hartmeyer, het Duitse echtpaar dat de plant in 1995 in het veld vond.

Drosera hartmeyerorum
Foto: incidencematrix — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera hartmeyerorum — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: NoahElhardt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera hartmeyerorum — de bloem
De bloem · Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera hartmeyerorum — de standplaats
De standplaats · Foto: Siegfried Hartmeyer — CC BY-SA 2.0 de · Wikimedia Commons

Herkenning

Geen platte rozet maar een opgaande of liggende plant met lange, draadvormige bladeren die kris-kras over elkaar en over de omringende vegetatie schuiven. Het opvallendste kenmerk zit aan de voet van de bladeren: daar staan ronde, gele haarstructuren, als kleine knopjes op een steel, waarvan de functie nog altijd onduidelijk is. Aan die gele knopjes is de soort in het veld het snelst te herkennen. Gepubliceerde maten van blad, stengel en bloem hebben we niet in een bron kunnen controleren; de maatvelden blijven daarom leeg.

Gelijkende soorten

De naaste verwant en de voor de hand liggende verwisseling is Drosera indica in brede zin, waartoe de plant eerst ook werd gerekend. Samen vormen ze de sectie Arachnopus: eenjarige planten met lange, lintvormige vangbladen langs een stengel. D. hartmeyerorum onderscheidt zich door de gele, knopvormige haren aan de bladvoet, die bij de andere leden van de groep ontbreken. Andere eenjarige soorten uit dezelfde sectie in Noord-Australië zijn alleen met bloem en bladvoet in de hand goed uit elkaar te houden.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De lange bladeren zijn over hun hele lengte bezet met gesteelde klieren die elk een kleverige druppel dragen. Landt er een insect, dan blijft het plakken, en daarna buigen niet alleen de tentakels maar buigt ook het hele blad zich langzaam om de prooi heen: de bladeren krullen zich letterlijk om een gevangen insect. Daarna scheiden de klieren enzymen af en nemen ze de vrijgekomen voedingsstoffen op. Welke rol de gele knopjes aan de bladvoet daarbij spelen — lokmiddel, extra verteringsklier of iets anders — is niet opgehelderd.

Standplaats en ecologie

Warme, natte, zanderige en venige plekken met een hoge luchtvochtigheid en een uiterst voedselarme bodem. In het noorden van Australië betekent dat vooral seizoensmoerassen en natte laagten in open bosland en savanne, die in de regentijd onderlopen en in de droge tijd uitdrogen (W7, W4, B6). Als eenjarige overleeft de plant de droge maanden alleen als zaad.

Verspreiding en hoogte

Het noorden van Australië. Het voorkomen in de Kimberley, in het noorden van West-Australië, is goed gedocumenteerd; opgaven uit Queensland en het Northern Territory hebben we niet in een primaire bron kunnen bevestigen. Omdat het precieze areaal onzeker is, houden we de verspreiding bewust ruim.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 23 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

De plant is ontdekt in 1995, werd aanvankelijk als een vorm van D. indica gezien en is in 2001 door Jan Schlauer in Carnivorous Plant Newsletter als zelfstandige soort beschreven. Binnen de sectie Arachnopus is de indeling de afgelopen decennia sterk veranderd: wat vroeger één wijdverbreide soort D. indica heette, is in Australië in een reeks afzonderlijke soorten opgesplitst. Variëteiten of kleurvormen van D. hartmeyerorum zelf worden niet onderscheiden.

Waar en wanneer te zien

Zoek in het natte seizoen, wanneer de planten groot en in bloei zijn; buiten die maanden is er niets van te zien. Kijk aan de randen van tijdelijke plassen en in natte, zanderige laagten, en richt je blik op de bladvoeten: de gele knopjes vallen bij tegenlicht direct op. De bladeren zijn broos en raken gemakkelijk verstrikt in de omringende vegetatie; laat ze liggen.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (Least Concern, LC); in CITES is hij niet opgenomen. Als eenjarige van seizoensmoerassen is hij wel afhankelijk van een intacte waterhuishouding en van de jaarlijkse overstroming. Onzekerheid: de naam en het gebied (vooral het voorkomen in Queensland) konden we niet in een primaire bron nalopen, en voor de maten hebben we de oorspronkelijke beschrijving niet kunnen inzien.

Wetenschappelijke naam

Drosera hartmeyerorum | Schlauer, 2001

Beschreven door Jan Schlauer in 2001, in "Drosera hartmeyerorum spec. nov. (Droseraceae), a new sundew in sect. Arachnopus from Northern Australia", Carnivorous Plant Newsletter, deel 30, nr. 4, p. 104-106. Australië, West-Australië (Kimberley-regio), Ord-rivier nabij Kununurra. Holotype in het herbarium van J. Schlauer, isotype in Kew (K). Verzameld door S. en I. Hartmeyer op 30 april 2001. Vernoemd naar Siegfried en Irmgard Hartmeyer, die de soort al in 1995 ontdekten — zes jaar voor de formele beschrijving door Schlauer. Dezelfde Hartmeyers die ook de standplaatsfoto van deze soort in de gids leverden (zie "Reeks-van-drie-afwerking", golf 10, hierboven). De soort heeft een geel, klierloos aanhangsel dat vermoedelijk helpt bij het aantrekken van insecten.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.