Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera gigantea

Drosera gigantea

De reus onder de knolzonnedauwen: Drosera gigantea kan een meter hoog worden en vertakt zich daarbij als een klein boompje, met honderden glinsterende, schildvormige vangblaadjes langs de zijtakken. John Lindley beschreef hem in 1839. Elk jaar wordt die hele bovengrondse plant opnieuw opgebouwd uit een rode knol die tot een meter diep in het zand kan zitten.

Drosera gigantea
Foto: Jean and Fred Hort — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera gigantea — de bloem
De bloem · Foto: Jean and Fred — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera gigantea — de standplaats
De standplaats · Foto: Jean and Fred Hort — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rechtopstaande, forse, meerjarige knolplant van 0,2 tot 1 m hoog, met een slingerende hoofdstengel en zijtakken die de plant een boomachtig silhouet geven. Langs de zijtakken staan kleine, schildvormige vangblaadjes met tentakels. De bloemen zijn wit en verschijnen van augustus tot november. De knol is rood, tot 3,8 cm in doorsnede, en kan tot een meter onder de grond liggen. De stengels bevatten bruine glucosiden die de plant een koperbruine tint kunnen geven. Nauwkeurige bladmaten waren in de geraadpleegde bronnen niet beschikbaar.

Gelijkende soorten

Andere rechtopstaande knolzonnedauwen uit de sectie Ergaleium, zoals Drosera stricticaulis, Drosera peltata en Drosera andersoniana, blijven veel kleiner en zijn niet of nauwelijks vertakt. De boomachtige vertakking en de hoogte tot een meter maken D. gigantea in het veld onmiskenbaar. De ondersoort geniculata blijft kleiner, tot ongeveer 45 cm.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op meerdere etages. De schildvormige blaadjes langs de takken vormen een driedimensionaal vangnet in de open heide, waar vliegende insecten tegenaan vliegen en blijven plakken. De tentakels buigen zich om de prooi en de klieren scheiden verteringsenzymen af. De scheuten bevatten naftochinonen zoals plumbagine en droseron, stoffen die bij zonnedauwen algemeen voorkomen en waarschijnlijk een rol spelen in de afweer tegen vraat en schimmels.

Standplaats en ecologie

Zandgrond aan de randen van moerassen en bij granietrotsen (FloraBase) (W4, D1, R3). De diepe knol maakt het de plant mogelijk ook in het zand bij moerasranden de droge zomer te overleven, ver onder de uitdrogende bovenlaag. In de winter en het voorjaar staat de grond vochtig of drassig.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het zuidwesten van West-Australië, langs de kust van Albany noordwaarts tot even ten zuiden van Geraldton. FloraBase noemt de bioregio's Avon Wheatbelt, Geraldton Sandplains, Jarrah Forest en Swan Coastal Plain. De ondersoort geniculata groeit op zwart zand bij Perth en zuidelijker.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 80 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden twee ondersoorten onderscheiden: subsp. gigantea en subsp. geniculata, die Marchant en Lowrie in 1992 beschreven. Jan Schlauer stelde in 1996 voor geniculata als variëteit te behandelen, omdat hij het niet eens was met de redenering van Marchant en Lowrie over het samen of gescheiden voorkomen van de vormen. FloraBase behandelt de variëteit als synoniem van de ondersoort.

Waar en wanneer te zien

Een soort die je van ver ziet: loop in september of oktober langs moerasranden op de kustvlakte en kijk uit naar koperkleurige 'boompjes' van een halve tot een hele meter tussen de lage heide. Bij tegenlicht schitteren de honderden druppels. Een van de makkelijkst te vinden zonnedauwen van het zuidwesten.

Staat van instandhouding

Beoordeeld als niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst en in West-Australië als 'Not threatened'. Niet in CITES. De soort heeft een groot verspreidingsgebied langs de westkust. Op de kustvlakte rond Perth zijn veel moerasranden verdwenen door verstedelijking en drooglegging, maar de soort komt ook in tal van reservaten voor.

Wetenschappelijke naam

Drosera gigantea | Lindley, 1839

Beschreven door John Lindley in 1839, in "A Sketch of the Vegetation of the Swan River Colony", p. 20, nr. 86. In 1992 beschreven Marchant & Lowrie (dezelfde publicatie als eerder in de gids genoemd) een ondersoort, D. gigantea subsp. geniculata. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. Gezien de publicatietitel ligt een vindplaats nabij de Swan River (regio Perth) voor de hand. De soort komt tegenwoordig voor langs de West-Australische kust, van Albany tot net ten zuiden van Geraldton. Van het Latijnse giganteus ("reusachtig") — deze soort is een van de grootste Drosera-soorten ter wereld, met een boomachtige, vertakte groeiwijze tot 1 m hoogte.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.