Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera cuneifolia

Drosera cuneifolia

De zonnedauw van de Tafelberg. Drosera cuneifolia komt nergens anders voor dan in het bergcomplex rond Kaapstad, en is daar een vertrouwde verschijning op de natte plekken langs de wandelpaden. De naam verwijst naar de wigvormige bladeren, die aan de top als het ware zijn afgesneden.

Drosera cuneifolia
Foto: S Molteno — Public domain · Wikimedia Commons
Drosera cuneifolia — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Jan Wieneke — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera cuneifolia — de standplaats
De standplaats · Foto: S Molteno — Public domain · Wikimedia Commons

Herkenning

Een middelgrote rozet van ongeveer 4 cm doorsnede en zo'n 3 cm hoog. De bladeren zijn wigvormig, 20 tot 40 mm lang en 10 tot 15 mm breed, groenig tot rood, met drie tot vijf nerven, en naar de top verbreed en daar afgeknot. De tentakels staan op de bovenzijde en langs de rand. De onbebladerde, rechtopstaande bloemsteel is 10 tot 20 cm hoog, zelden vertakt, en draagt meerdere roze tot mauve bloemen met kroonbladen van 10 tot 15 mm. De stijlen zijn lepelvormig. Elke bloem opent 's ochtends en sluit halverwege de middag, en bloeit maar één dag.

Gelijkende soorten

De afgeknotte wigvorm van het blad is het beste kenmerk. Drosera aliciae heeft smallere, spatelvormige bladeren met een behaarde onderzijde; D. trinervia is kleiner, met meestal witte bloemen; D. slackii heeft een in het midden verbrede bladsteel en een grotere rozet. Op de Tafelberg komen ook D. capensis en D. hilaris voor, die langere, rechtopstaande bladeren hebben.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De tentakels scheiden een kleverig slijm af waarin, volgens PlantZAfrica, een zwak zuur en enzymen zitten die de zachte delen van de prooi verteren. Na contact buigen de omringende tentakels naar het insect toe. De brede bladtop geeft de plant een relatief groot vangoppervlak voor een rozet van deze maat.

Standplaats en ecologie

Vochtige, venige plekken in sijpelzones en open vlakke zandige terreinen tussen de fynbos, en langs beken en rivieroevers, tot ongeveer 915 m hoogte (R1, W4, B5). De soort groeit in de winter en gaat in de droge zomer meestal in rust.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuid-Afrika, en beperkt tot het Tafelberg-complex op het Kaapse Schiereiland in de Westkaap. Omdat een ondergrens van het hoogtebereik niet is opgegeven, blijft het hoogteveld leeg; de bovengrens ligt rond 915 m.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 20 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Linnaeus filius beschreef de soort in 1781, wat haar tot een van de vroegst beschreven Kaapse zonnedauwen maakt. Er worden geen variëteiten onderscheiden. In cultuur circuleren plaatselijk aangeduide herkomsten, maar die hebben geen taxonomische status en worden hier niet gebruikt.

Waar en wanneer te zien

De Tafelberg en de bergen van het Schiereiland zijn doorsneden met wandelpaden; zoek na de winterregen op natte plekken waar water over zandsteen sijpelt. De bloemen verschijnen in de vroege zomer en zijn alleen 's ochtends en rond het middaguur open. Het hele gebied is nationaal park; plukken en verzamelen zijn verboden.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. Volgens PlantZAfrica staat de soort op de nationale Rode Lijst als Least Concern. Het hele areaal valt binnen het Table Mountain National Park, wat bescherming biedt; tegelijk maakt het zeer kleine areaal de soort kwetsbaar voor veranderingen in de waterhuishouding, voor invasieve uitheemse planten en voor te frequente branden aan de rand van de stad.

Wetenschappelijke naam

Drosera cuneifolia | Linnaeus filius, 1781

Beschreven door Carl Linnaeus de Jongere in 1782, in "Supplementum Plantarum Systematis Vegetabilium", p. 188. Kaapregio, Zuid-Afrika, in de buurt van Tafelberg/Kaapstad ("Capensis"); geen preciezere vindplaats of verzamelaar bekend. Van het Latijnse cuneus ("wig") en folium ("blad") — "wigvormig blad", naar de spatelvormige bladvorm.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.