Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Myotis punicus
Myotis punicus | Myotis punicus
Felten's Myotis | Murciélago ratonero del Maghreb
Myotis punicus is de grote Myotis van de Maghreb en van Corsica, Sardinië, Malta, Gozo en Pantelleria. Felten beschreef haar in 1977 als ondersoort van de kleine vale vleermuis (M. blythii), met een typelocatie in een grot bij El Haouaria op Kaap Bon, Tunesië. Genetisch onderzoek rond 2000 liet zien dat de grote Myotis-soorten van Noord-Afrika en van Corsica en Sardinië een eigen lijn vormen, die sterk verschilt van zowel de vale als de kleine vale vleermuis; sindsdien geldt zij als soort. Onderarm 54 tot 63,9 mm, gewicht 19 tot 25 gram.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Kraamkolonies zitten altijd ondergronds, in grotten of mijnen, en tellen enkele honderden tot 1000 volwassen vrouwtjes; zij delen de ruimte vaak met hoefijzerneuzen, de langvleugelvleermuis en Capaccini's vleermuis. Losse dieren, meestal mannetjes, verblijven in ruïnes, tunnels, daken en spleten in bruggen, en verdedigen in de paartijd hun plek. Bij de kolonies hoopt zich mest op, en onder de ingangen zijn de dieren bij de uitvlieg te tellen.
Herkenning
Kop-romp 67 tot 79 mm, oor 26,1 tot 29 mm, onderarm 54 tot 63,9 mm, spanwijdte 350 tot 410 mm. De rugvacht is zacht en donkerbruin of grijs, en contrasteert met de witachtige of lichtbruine buik. De oren zijn lang. De tragus is geheel gepigmenteerd, zonder de donkere punt die de vale vleermuis heeft. De vleugel is aan de basis van de tenen aangehecht. De roep bestaat uit sterk gemoduleerde pulsen van 80 tot 90 kHz naar 20 tot 30 kHz, met de meeste energie rond 30 kHz; volgens het handboek is hij vrijwel gelijk aan die van de vale en de kleine vale vleermuis. Een staartlengte wordt in het handboek voor deze soort niet gegeven.
Gelijkende soorten
De soort is cryptisch ten opzichte van de vale vleermuis (M. myotis) en de kleine vale vleermuis (M. blythii). Volgens het handboek lijkt zij meer op de kleine vale vleermuis, maar is zij op uitwendige kenmerken alleen niet tot op soort te determineren. De geheel gepigmenteerde tragus, zonder donkere punt, wijst in de richting van deze soort en weg van de vale vleermuis. Met de roep zijn de drie soorten niet te scheiden. In de praktijk berust de toewijzing vooral op de vindplaats: het handboek vermeldt geen gebied waar de soort samen met de vale of de kleine vale vleermuis voorkomt, zodat een grote Myotis op Corsica, Sardinië, Malta, Gozo of Pantelleria, of in de Maghreb, als deze soort wordt behandeld. Genetisch zijn de drie soorten sterk verschillend. Een vondst buiten het bekende areaal, bijvoorbeeld op Sicilië of in Zuid-Italië, vraagt om DNA.
Leefgebied
Verschillende leefgebieden, vooral open terrein met lage of weinig vegetatie, zoals weiden, akkers en graslanden, van zeeniveau tot ongeveer 1200 m. De soort jaagt zelden in bos of dichte vegetatie, wel langs randen en lijnvormige elementen. In Noord-Afrika jaagt zij ook in halfwoestijn. Verblijven zijn natuurlijke en kunstmatige ondergrondse ruimtes, en gebouwen. Op Corsica hebben de verblijven binnen een temperatuur van 4 tot 9 °C in de winter en 10 tot 28 °C in de zomer.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De westelijke Middellandse-Zee-eilanden Corsica, Sardinië, Malta, Gozo en Pantelleria, en in Noord-Afrika Noordwest-Marokko, Algerije, Tunesië en Libië. De populaties van Noord-Afrika en van de eilanden zijn genetisch sterk gedifferentieerd; ook de 12 km brede zeestraat tussen Corsica en Sardinië lijkt de genenstroom te beperken. De scheiding van deze populaties wordt in het vroeg- tot midden-Pleistoceen geplaatst. De soort wordt als monotypisch behandeld.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het voedsel bestaat vooral uit sprinkhanen, sabelsprinkhanen, krekels, kevers en nachtvlinders; plaatselijk ook veel vliegen, en verder cicaden en spinnen. De soort vliegt laag boven kort of sterk begraasd grasland en pakt prooien van de grond, door erboven te bidden en ze met de poten te grijpen of door erop te landen. Zijn er weinig prooien op de grond, dan schakelt zij over op het vangen van vliegende insecten. De jongen worden in maart en april geboren in Algerije en in mei in Marokko; vrouwtjes zijn in hun eerste levensjaar geslachtsrijp. De paartijd valt meestal in augustus. Winterverblijven liggen dicht bij de kraamverblijven, soms in dezelfde grot. De grootste gemelde verplaatsing is ongeveer 22 km. De maximale leeftijd wordt op 5 tot 8 jaar opgegeven.
Waar en wanneer kijken
Op Corsica, Sardinië en Malta zijn grote kraamkolonies in grotten te tellen bij de uitvlieg in de schemering, vanaf de ingang; de dieren jagen daarna boven begraasd grasland en akkers in de omgeving. Betreed geen kraamgrotten: verstoring is een van de hoofdbedreigingen. Vangen en hanteren van vleermuizen is in de Europese Unie vergunningplichtig.
Staat van instandhouding
Onvoldoende gegevens (DD) op de mondiale Rode Lijst, beoordeeld in 2016, met een dalende trend. De voornaamste bedreigingen zijn verstoring van grotten en mijnen door bezoekers, branden en vandalisme; het handboek vermeldt ook dat dieren voor medische doeleinden zijn gevangen. Op Corsica, Sardinië en Malta valt de soort onder bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn: bijlage IV omvat alle vleermuizen, en omdat de dieren daar vroeger tot de vale en de kleine vale vleermuis werden gerekend, die op bijlage II staan, behandelt de Europese Commissie ook deze soort als soort van bijlage II, waarvoor speciale beschermingszones moeten worden aangewezen.
Wetenschappelijke naam
Myotis punicus | Felten in Felten, Spitzenberger, & Storch, 1977
Felten in Felten, Spitzenberger, & Storch beschreef de soort in 1977 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. punicus is Latijn voor 'Punisch, Carthaags', bij Poeni, de Romeinse naam voor de Feniciërs van Carthago; het typemateriaal komt van Kaap Bon, dicht bij de oude stad. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tunesië, Cape Bon.






