Alle soorten › Haasachtigen › Hazen en konijnen › Iberische haas

Iberische haas | Lepus granatensis

Granada Hare | Liebre Iberica

De Iberische haas is de haas van vrijwel het hele Iberisch Schiereiland; een haas in Spanje of Portugal is meestal deze soort. Alleen in de Cantabrische kuststrook en ten noorden van de Ebro ontbreekt hij. In Noord-Spanje komen drie hazensoorten met elkaar in contact die in het veld nauwelijks te onderscheiden zijn; daar geeft de vindplaats vaker uitsluitsel dan het uiterlijk.

Iberische haas (Lepus granatensis)
Foto: Jan Ebr — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De sporen zijn gelijk aan die van de haas, maar liggen meestal in droge grond. Het leger is een ondiepe kuil van ongeveer 30 bij 15 cm, uitgesleten tot op de kale aarde, meestal onder een graspol, een lavendel- of rozemarijnstruik of in de voor van een stoppelveld, met de opening uit de wind. De keutels zijn afgeplatte bolletjes van 15 tot 20 mm, geelbruin tot okerkleurig en grof vezelig; ze liggen los verspreid en niet op hoopjes, terwijl het konijn de zijne in latrines op een molshoop, steen of muurtje legt. De prent is lang en smal, met een vage rand door de behaarde zolen; in de sprong komen de twee lange achtervoeten vóór de kleine voorvoeten neer, en die voorvoeten staan meestal achter elkaar op één lijn, waar het konijn ze naast elkaar zet. Op stoffige akkerpaden en zandige wegen in de dehesa is dat groepje van vier prenten goed te herkennen. Verder de vraat: gladde, schuine sneden van ongeveer 45 graden aan jonge scheuten, en in de winter bastschade aan jonge wijnstokken, olijven en amandelbomen tot ongeveer zestig centimeter hoogte.

In zijn leefgebied

Iberische haas, in rozemarijnstruweel op kale kalksteen, sierra de salinas, alicante — het droge mediterrane mozaïek waarin hij thuishoort
In rozemarijnstruweel op kale kalksteen, Sierra de Salinas, Alicante — het droge mediterrane mozaïek waarin hij thuishoort · Foto: José Francisco Herrero — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Iberische haas, rennend dier in het monte del pardo bij madrid: de zwart getopte oren en de witte streep op de voorpoot
Rennend dier in het Monte del Pardo bij Madrid: de zwart getopte oren en de witte streep op de voorpoot · Foto: Juan lacruz — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een middelgrote haas, kleiner en fijner gebouwd dan de haas: kop-romp 44 tot 48 cm en 1,5 tot 2,6 kg. De vacht is grijsbruin tot roodbruin op de rug en scherp begrensd tegen het zuivere wit van buik, flank en dijen; die grens is veel duidelijker dan bij de haas en valt op een goede foto of bij strijklicht het eerst op. De buitenzijde van de voorpoten is roodbruin met een witte streep, en over de wang loopt een witte streep tot achter het oog. De oren zijn ongeveer even lang als de kop (9 tot 10,5 cm), met een zwarte punt aan de achterzijde; de staart is zwart van boven en wit van onder en wordt bij het vluchten omlaag gedragen. Dieren uit Galicië zijn donkerder en roder, dieren van Mallorca bleker.

Gelijkende soorten

In het veld geeft het uiterlijk hier vaak geen uitsluitsel, de vindplaats wel. De haas (Lepus europaeus) bewoont in Spanje alleen het noordoostelijke kwadrant: van de Catalaanse kust en de Pyreneeën door Aragón en Noord-Castilië tot Midden-Asturië, steeds ten noorden van de Ebro of daar vlak tegenaan. Hij is groter en zwaarder, roder van tint, en het wit op de flank gaat geleidelijk over in het bruin. De Cantabrische haas leeft alleen in het Cantabrisch Gebergte tussen 1000 en 1900 meter, is donkerder en korter van oor, en is in het veld vrijwel niet van de andere twee te onderscheiden. Waar de drie soorten samenkomen (de zuidflank van het Cantabrisch Gebergte, de hoogvlakten langs de Duero, Noord-Palencia) geeft alleen een dier in de hand of DNA zekerheid; de veldnotitie luidt dan Lepus sp. Ten zuiden en westen van die strook is elke haas een Iberische haas. Het konijn is op afstand de meest voorkomende verwarring: kleiner, grijzer, oren korter dan de kop en zonder zwarte punt, de staart rechtop gedragen zodat het wit zichtbaar is, en het vlucht in een hol.

Leefgebied

Open, vlak tot golvend land: graanakkers en braak, wijngaarden, olijfgaarden, dehesa met verspreide steeneiken, steppegraslanden van de Castiliaanse hoogvlakte, en de kruidenrijke perceelsranden daartussen. Ook de marismas van de Guadalquivir, duinen en kustvlakten, en tot ongeveer 1900 meter in de Sierra Nevada, waar de soort de zomerweiden gebruikt. Gesloten bos en dicht struweel worden gemeden, maar de rand van de maquis en open terrein na bosbrand horen wel tot het leefgebied; op het Iberisch Schiereiland worden afgebrande terreinen vaak door hazen bewoond.

Verspreiding

Vrijwel het hele Iberisch Schiereiland: heel Portugal, en in Spanje alles behalve de Cantabrische kuststrook en het gebied ten noorden van de Ebro. De soort komt voor van zeeniveau tot in het hooggebergte van de Betische Cordilleras. Op Mallorca leeft een eeuwenoude, waarschijnlijk ingevoerde populatie die tegenwoordig zeldzaam is. Op de Canarische Eilanden ontbreekt de soort. GBIF bevat ruim elfduizend waarnemingen uit Spanje en ruim zestienhonderd uit Portugal; het is de talrijkste haas van het schiereiland. Buiten het Iberisch Schiereiland en Mallorca komt de soort niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief, met de meeste activiteit in het eerste uur na zonsondergang en opnieuw bij zonsopkomst; overdag ligt de haas in het leger en verlaat hij dat alleen bij verstoring. In het zuiden, waar de zomers heet en droog zijn, verschuift de activiteit nog meer naar de nacht. Het voedsel bestaat uit gras, kruiden, jong graan, wortels en knollen, en in de zomer uit wat nog groen is langs greppels en onder bomen; zoals alle hazen eet hij de zachte blindedarmkeutels opnieuw op. De voortplanting loopt in het zuiden bijna het hele jaar door, met een piek van januari tot juni: drie tot vier worpen van gemiddeld twee jongen, uitzonderlijk tot zeven. De jongen worden behaard en met open ogen geboren, liggen afzonderlijk verscholen en worden één keer per etmaal kort gezoogd. Er is geen winterrust.

Waar en wanneer kijken

Zoek in de laatste twee uur daglicht met een verrekijker de stoppels van een graanakker of een dehesa af, en let op twee zwarte oorpunten boven de ploegvoor; van een liggende haas is vaak niet meer te zien. De dichtheden zijn het hoogst in La Mancha, Extremadura en de Alentejo, en een langzame rit over een onverharde weg na zonsondergang levert daar doorgaans meerdere dieren op. In Doñana en op de Castiliaanse steppen is de soort ook overdag te zien. Let in februari en maart op achtervolgingen: ook deze soort bokst, zij het minder opvallend dan de haas. Wees bij elke haas ten noorden van de Ebro voorzichtig met de determinatie: daar is de soortvraag werkelijk open.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2025), en op het hele schiereiland nog algemeen en bejaagd als klein wild. Sinds 2018 is echter een belangrijke verandering opgetreden: een gerecombineerd myxomatosevirus is van het konijn op de haas overgegaan en heeft in Spanje en Portugal plaatselijk hele populaties doen verdwijnen. Daarnaast spelen dezelfde landschapsveranderingen als elders (schaalvergroting, het verdwijnen van perceelsranden en braak, vroeg en machinaal maaien) en het uitzetten van gekweekte of ingevoerde hazen, waarmee ziekten en vreemde genen worden geïntroduceerd. De populatie op Mallorca is klein, geïsoleerd en de laatste decennia sterk afgenomen.

Wetenschappelijke naam

Lepus granatensis | Rosenhauer, 1856

Rosenhauer beschreef de soort in 1856 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Lepus is het Latijnse woord voor 'haas'. granatensis betekent 'van Granada', de Andalusische stad in de omgeving waarvan Rosenhauer verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Spanje, Andalusië.