Alle soorten › Roofdieren › Zeehonden › Grijze zeehond
Grijze zeehond | Halichoerus grypus
Grey seal | Foca gris
De grijze zeehond leeft aan beide zijden van de noordelijke Atlantische Oceaan en in de Oostzee, en is het grootste in het wild levende roofdier van de Noordzeekusten; stieren wegen tot ongeveer 310 kg. Na eeuwenlange vervolging was de soort rond 1900 uit de zuidelijke Noordzee verdwenen. Sinds de jaren tachtig heeft ze zich daar opnieuw gevestigd en werpt ze haar jongen midden in de winter op zandplaten en stranden.
Sporen
Een zeehond laat geen pootafdrukken achter maar een sleepspoor: het dier trekt zich op de voorvinnen vooruit en sleept de romp mee. Het resultaat is een brede, gladde sleuf van 30 tot 50 cm, recht of in flauwe bochten van de vloedlijn het strand op, met aan weerszijden korte, schuine krabsporen van de voorvinnen op regelmatige afstand. In zacht zand is de sleuf diep, op harde platen alleen een gepolijste baan. De looprichting blijkt uit de zandwal aan het eind. De soort is niet uit het spoor alleen te bepalen, omdat grijze en gewone zeehond hetzelfde spoor maken; een sleuf breder dan een halve meter is vrijwel zeker van een grijze stier. Verder de ligplaats: een kaalgeschuurde plek op het hoogste deel van een zandplaat of op een rotsplateau, ver van de toegangen, vaak omringd door plukken losse haren. In maart en april liggen daar haren van de rui: plukken grijze haren en soms hele stukken vacht tussen de schelpen in het vloedmerk. In de werptijd is een kolonie vooral aan het geluid te herkennen: het klagende roepen van de witte jongen is verder hoorbaar dan de dieren zichtbaar zijn. Keutels worden zelden gevonden en zijn te herkennen aan de visgraten en otolieten erin.

De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Zwaar gebouwd en hoog in de schoft wanneer het dier op het droge ligt. De kop is lang en recht, zonder knik tussen snuit en voorhoofd (de 'romeinse neus'). De neusgaten staan bijna evenwijdig en raken elkaar onderaan niet; er blijft een duidelijke gleuf tussen. De vacht is grijs met onregelmatige donkere vlekken, die bij het mannetje samenvloeien tot een bijna zwarte rug met lichte vlekken; het vrouwtje is licht met donkere vlekken. Een volwassen stier is een derde langer dan een vrouwtje en heeft een zware, gerimpelde nek, een borst met littekens en een brede, gebolde snuit. De voorvin draagt vijf zware, donkere nagels. Een nat dier is bijna zwart, een droog dier lichtgrijs tot bruinachtig. Op het strand ligt de grijze zeehond plat, met kop en achtervinnen laag; de gebogen houding van de gewone zeehond komt zelden en minder uitgesproken voor.
Gelijkende soorten
Het onderscheid berust op de kop, die met een telescoop op tweehonderd meter te beoordelen is. De gewone zeehond heeft een korte, ingedeukte snuit met een duidelijke knik voor de ogen, en zijn neusgaten vormen een V: ze raken elkaar onderaan bijna en wijken naar boven uiteen. De grijze zeehond heeft een lange, rechte, kegelvormige snuit en evenwijdige neusgaten. Verder is de gewone zeehond kleiner en fijner gevlekt, met ronde stippen in plaats van onregelmatige vlekken, en ligt hij op de plaat met kop en achtervinnen opgeheven. In het water komt de grijze zeehond hoog en rechtop boven, waarbij het hele voorhoofd zichtbaar is. In het noorden overlapt het areaal met dat van de baardrob, grover gebouwd, met een kleine kop en een dichte bos witte, gekrulde snorharen, en met dat van de klapmuts, zwart gevlekt op zilvergrijs, waarbij de stier een neuszak heeft. Een dood, aangespoeld dier is aan het gebit te determineren: bij de grijze zeehond staan de kiezen in een rechte rij, bij de gewone zeehond schuin.
Leefgebied
Open zee boven de ondiepe zandbodems van het continentaal plat; aan land plekken die bij hoogwater droog blijven en weinig verstoord worden: hoge zandplaten en zandbanken, kwelderranden, kiezelstranden, en in het noorden en westen vooral rotsige eilanden, keienstranden en de voet van kliffen. De soort duikt tot enkele tientallen meters, jaagt op zandspiering, platvis en kabeljauwachtigen en soms op zeehonden van andere soorten, en foerageert tot honderd kilometer uit de kust. Anders dan de gewone zeehond werpt ze bij voorkeur op plekken die niet bij elk hoogwater onderlopen: aan de duinvoet, boven de vloedlijn of op rotsplateaus.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Rond de noordelijke Atlantische Oceaan, met een westelijke populatie bij Canada en New England en een oostelijke van de Barentszzee tot Bretagne, en daarnaast een aparte populatie in de Oostzee. Groot-Brittannië en Ierland herbergen ongeveer twee op de vijf grijze zeehonden ter wereld; grote kolonies liggen op de Farne-eilanden, Isle of May, North Rona, Orkney en de Monach-eilanden, en in de winter verzamelen zich grote aantallen bij Donna Nook, Blakeney Point en Horsey aan de kust van Lincolnshire en Norfolk. De soort is algemeen langs de kusten van IJsland, Noorwegen, de Faeröer en de Oostzee, en wordt naar het zuiden via Bretagne schaarser. In Nederland werd ze rond 1900 uitgeroeid en vestigde ze zich vanaf de jaren tachtig opnieuw; bij de telling van 2024 lagen er ongeveer 7.800 in de Nederlandse Waddenzee, met een groeiende groep in de Delta bij de Brouwersdam en op de Vlakte van de Raan. Langs de Belgische kust is ze een regelmatige verschijning, met een vaste ligplaats bij de Baai van Heist. Op het Iberisch Schiereiland plant de soort zich niet voort; er zijn losse waarnemingen aan de Cantabrische kust, in Galicië en uitzonderlijk in Portugal, meestal van jonge dieren uit Bretagne of van de Britse Eilanden.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Overdag op de ligplaats, meestal slapend; er wordt gejaagd tijdens lange tochten op zee, dag en nacht, met duiken van vijf tot tien minuten. Buiten de werptijd is de soort weinig sociaal en liggen de dieren in losse groepen zonder rangorde. De jongen worden in de winterhelft van het jaar geboren: langs de Atlantische kusten van september tot december, in de zuidelijke Noordzee (waaronder de Waddenzee en de Delta) van november tot januari, in de Oostzee pas in maart. Het jong wordt geboren met een dikke, roomwitte lanugovacht, weegt vijftien kilo en verdrievoudigt dat gewicht in drie weken op melk die voor ongeveer de helft uit vet bestaat; daarna verhaart het, wordt het door de moeder verlaten en moet het zelfstandig leren vissen. De stieren verdedigen in die weken een deel van het strand met de vrouwtjes die daar liggen, brullen en bijten, en verliezen tot een kwart van hun gewicht. Na de werptijd volgt in maart en april de rui, waarvoor de dieren dagenlang aan land blijven. Vrouwtjes worden vijfendertig jaar of ouder, mannetjes zelden ouder dan twintig.
Waar en wanneer kijken
In de werptijd liggen de witte jongen hoog op de platen en stranden. In de Waddenzee en bij de Brouwersdam zijn ze in november en december vanaf de dijk of tijdens een wadloop- of vaarexcursie met een telescoop te volgen. Aan de Engelse oostkust, bij Donna Nook, Horsey en Blakeney Point, liggen in november en december honderden jongen binnen twintig meter van een afgezet pad; op de Farne-eilanden en in Orkney komen boottochten in de late zomer dicht bij de rustende dieren op de rotsen. Blijf op het pad of op de kant: een verstoorde kolonie gaat te water, en jongen die de zee in worden gedreven kunnen verdrinken of hun moeder kwijtraken. Bij laagwater kun je vanaf de veerboot naar Ameland, Schiermonnikoog of Vlieland de platen afzoeken; grijze zeehonden liggen doorgaans op de buitenste, hoogste banken, gewone zeehonden dichter bij de geul. Op een leeg strand na een storm geeft het sleepspoor, teruggevolgd naar de vloedlijn, aan waar het dier weer de zee in is gegaan.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De Europese populaties nemen toe. De Atlantische populatie wordt op enkele honderdduizenden dieren geschat en groeit nog; de Oostzeepopulatie is hersteld van een dieptepunt van enkele duizenden dieren in de jaren zeventig, toen pcb's de vrouwtjes onvruchtbaar maakten. De soort is in Groot-Brittannië sinds 1914 en in Nederland sinds 1954 beschermd. Huidige bedreigingen zijn verstrikking in visnetten en verloren vistuig, verstoring van ligplaatsen door recreatievaart en drones, en conflicten met de visserij, die de soort verwijt vis uit de netten te halen. In de Oostzee is in Zweden en Finland weer beperkte jacht toegestaan.
Wetenschappelijke naam
Halichoerus grypus | (O. Fabricius, 1791)
O. Fabricius beschreef de soort in 1791 als Phoca Grypus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Halichoerus is Grieks, van hals 'zee, zout' en choiros 'varken': het zeezwijn. grypus is het Griekse grypos 'haakneuzig, gebogen', naar het hoge, gewelfde profiel van de snuit. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Denemarken, Amager.






