Alle soorten › Roofdieren › Hyena's › Gestreepte hyena

Gestreepte hyena | Hyaena hyaena

Striped hyaena | Hiena Rayada

De gestreepte hyena is de kleinste van de drie beenderkrakende hyena's en de enige hyena die binnen het gidsgebied voorkomt, in Noord-Afrika, de Levant en Turkije. Hij is vooral een aaseter, bijna uitsluitend 's nachts actief, en leeft in lage dichtheden in droog, ruig terrein. Van de nog levende hyena's is hij het minst onderzocht.

Gestreepte hyena (Hyaena hyaena)
Foto: Panchalmaulik01 — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Gestreepte hyena's markeren hun leefgebied met afscheiding uit de anaalklieren, die in een anaalzakje boven de anus uitmonden. Onderweg wordt die afscheiding regelmatig op grashalmen en andere voorwerpen aangebracht (pasting). Keutels worden op latrines gelegd bij voedselplekken en langs vaste routes. Beenderen worden met de zware kiezen gekraakt, net als pantsers van schildpadden. Het vrouwtje graaft voor de geboorte intensief; de jongen liggen in een hol.

Herkenning

Een groot, hondachtig dier met een aflopende rug, doordat de voorpoten langer zijn dan de achterpoten; kop, nek en schouders zijn zwaar. De vacht is lang en ruig, lichtgrijs tot strokleurig, met vijf tot negen zwarte verticale strepen op de flanken, twee strepen op de wang en duidelijke zwarte dwars- en lengtestrepen op alle vier de poten. Snuit en een vlek op de keel zijn zwart. De kop is rond met een spitse snuit en lange, puntige oren. Over de rug loopt van de oren tot de staart een grijze of blonde manen van haren tot 20 cm lang, die kan worden opgezet, waardoor het dier meer dan 30% groter lijkt. De staart is lang, ruig en zwart-wit. De schouderhoogte is 66 tot 75 cm; tussen de geslachten is weinig verschil in grootte.

Gelijkende soorten

In het gidsgebied komt geen andere hyena voor. Honden, Canis lupaster en de gewone jakhals hebben een rechte rug, geen strepen en geen manen, en de hyena beweegt met de karakteristieke aflopende rug en zware voorhand. Op een onscherp nachtbeeld blijven de strepen op de poten, de lange puntige oren en de rugmanen de beste kenmerken.

Leefgebied

In het grootste deel van het areaal ruig, droog terrein of lichte doornstruiken; in Noord-Afrika vooral open bos en struikrijke en bergachtige streken. In Centraal-Azië worden hoge bergen, dichte struwelen en bossen gemeden; geschikt zijn dalen met veel grotten of andere rustplaatsen. De soort drinkt regelmatig waar water is, maar kan ook in waterloze gebieden leven; de centrale Sahara en de Arabische woestijn zijn ongeschikt. Zij mijdt gebieden met minimumtemperaturen onder −15 tot −20 °C en meer dan 80 tot 120 vorstdagen per jaar. In Israël leeft zij ook dicht bij dichtbevolkte bebouwing.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Grote delen van Noord-, Oost- en West-Afrika, het Midden-Oosten, de Kaukasus en Centraal-Azië tot India en Nepal, meestal in kleine, gescheiden populaties. Binnen het gidsgebied: Marokko, Algerije, Tunesië, Libië, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon en Turkije. Verreweg de meeste recente waarnemingen komen uit Israël.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Bijna uitsluitend nachtactief, waarschijnlijk het strikst waar de mens actief is en vervolgt. Gestreepte hyena's leggen grote afstanden af: in de Serengeti gemiddeld 19 km per nacht, langs wildpaden of zigzaggend door het terrein. Het leefgebied van een vrouwtje in de Negev besloeg ongeveer 61 km² en overlapte met dat van twee andere dieren. Er is geen territoriumverdediging waargenomen. Meestal worden ze alleen gezien, maar in Centraal-Azië vormen paren een gezin dat jaren kan blijven bestaan. Het voedsel is vooral aas: gedroogd vlees en botten van grote gewervelden en resten van prooien van andere roofdieren; daarnaast ongewervelden, groente, vruchten, afval en kleine gewervelden die zelf worden gevangen. Voortplanting het hele jaar door; na een draagtijd van 90 tot 91 dagen worden 1 tot 4 (mediaan 3) jongen geboren van ongeveer 700 g, al met de strepen van volwassen dieren maar zonder manen. De ogen gaan na 5 tot 9 dagen open, na ongeveer twee weken komen de jongen uit het hol, en ze drinken meer dan een jaar bij de moeder.

Waar en wanneer kijken

In het gidsgebied is Israël de enige plek met een redelijke kans op een waarneming. De soort is 's nachts te zien in open, ruig terrein en aan de rand van nederzettingen, ook bij afvalplekken.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT, 2015). De soort leeft overal in lage dichtheden en lijkt op veel plaatsen al verdwenen; de populaties nemen in het algemeen af. Oorzaken zijn afname van aas, doordat andere grote roofdieren en hun prooien achteruitgaan en de veehouderij verandert, en directe vervolging: dieren worden doodgeschoten, gestrikt of vergiftigd omdat ze vee zouden pakken. Lichaamsdelen worden gebruikt in de volksgeneeskunde. De grote leefgebieden maken versnippering in kleine, niet levensvatbare populaties waarschijnlijk.

Wetenschappelijke naam

Hyaena hyaena | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Canis Hyæna; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Hyaena is het Griekse hyaina, gevormd bij hys 'zwijn': de Grieken vergeleken de borstelige manen van het dier met een varkensrug. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India.