Alle soorten › Haasachtigen › Hazen en konijnen › Floridakonijn
Floridakonijn | Sylvilagus floridanus
Eastern cottontail | Conejo Castellano
Het floridakonijn (Sylvilagus floridanus) is de algemeenste haasachtige van Noord-Amerika. In Europa is het sinds de jaren vijftig uitgezet voor de jacht, in de Po-vlakte en in Frankrijk, en het breidt zich daar sindsdien geleidelijk uit. Anders dan het Europese konijn graaft het geen burcht, leeft het solitair en legt het de jongen in een ondiepe kuil in het gras.
Sporen
De keutels zijn ronde, droge, vezelige bolletjes van 8 tot 12 mm, lichtbruin tot groengrijs, en niet te onderscheiden van die van het konijn. Ze liggen echter verspreid over het foerageergebied en niet in grote latrines, omdat deze soort geen burcht verdedigt en geen vaste mestplaats heeft. De prent is klein, met vier tenen en zonder duidelijke kussens door de behaarde zool; het spoor toont het Y-vormige patroon van haasachtigen, met sprongen van 25 tot 60 cm. Kenmerkend is het nest: een ondiepe, schuine kuil in gras of ruigte van ongeveer 12 bij 12 cm, bekleed met droog gras en afgedekt met buikhaar van het vrouwtje, van bovenaf zichtbaar als een plukje grijs haar tussen de halmen. Nesten worden meestal bij het maaien gevonden; eronder liggen vier tot acht jongen. Verder: een leger onder een braamstruik of houtstapel, en in de winter bast en twijgen die schuin en scherp zijn afgeknipt, tot ongeveer 50 cm boven de grond of de sneeuw.


De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Een konijn met een relatief smalle, hazenachtige kop: grijsbruin gespikkeld, met een roestrode vlek in de nek die bij oudere dieren duidelijk is, een witte oogring en middellange oren zonder zwarte punt. De Engelse naam (cottontail) verwijst naar de staart: aan de onderzijde zuiver wit en pluizig, en bij het wegrennen omhooggeheven zodat het wit boven de rug zichtbaar is; bij het Europese konijn is de staart korter, platter en aan de bovenzijde duidelijk zwart. Jonge dieren hebben een witte bles op het voorhoofd die met de leeftijd vervaagt. De oren worden minder rechtop gehouden dan bij het konijn, en het dier staat hoger op de poten.
Gelijkende soorten
In Italië en Frankrijk leeft het floridakonijn naast het Europese konijn (Oryctolagus cuniculus). Het onderscheid berust op drie kenmerken: de roestrode nek (bij het konijn zwakker en meer geelbruin), de staart (bij het floridakonijn wit en pluizig, bij het konijn van boven zwart) en het gedrag (het floridakonijn graaft geen burcht en leeft niet in kolonies; een groep konijnen bij een waaier van uitgegraven zand zijn Europese konijnen). De haas is veel groter, heeft veel langere oren met zwarte punt en lange achterpoten, en een staart met zwarte bovenzijde. Op afstand en bij weinig licht is de witte, pluizige staart het snelste kenmerk.
Leefgebied
Overgangsmilieus: ruige weiden en hooilanden met struikgroepen, houtwallen en heggen, bosranden en kapvlakten, akkerranden, spoortaluds, boomgaarden, volkstuinen en stadsparken. Gesloten bos en open akkerland zonder dekking worden gemeden. In de Po-vlakte komt de soort voor op zware, natte kleigrond waar het Europese konijn moeilijk kan graven; het floridakonijn graaft niet en is daarvan niet afhankelijk.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
In het oorspronkelijke gebied van Zuid-Canada tot Venezuela. In Europa is de soort sinds de jaren vijftig en zestig voor de jacht uitgezet in Noord-Italië (Piëmont, Lombardije, Veneto, Emilia-Romagna, met het zwaartepunt in de Po-vlakte) en in Frankrijk, vooral in het centrum en het zuidwesten. Vanuit Piëmont breidt hij zich langzaam naar het noorden en westen uit. Op het Iberisch Schiereiland is de soort niet gevestigd en zijn geen uitzettingen bekend; alle wilde konijnen daar zijn Oryctolagus. Op de Britse Eilanden is hij niet gevestigd: introducties in Engeland in de negentiende eeuw mislukten. In de Lage Landen komt hij niet voor en zijn geen uitzettingen bekend; een konijn met een witte pluimstaart is daar vrijwel zeker een verwilderd tam konijn.
- Ingeburgerd
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Actief in de schemering en 's nachts, op rustige plaatsen ook laat in de middag. Het floridakonijn eet grassen, klaver en kruiden, en in de winter bast, knoppen en twijgen; zoals alle haasachtigen eet het de zachte nachtkeutels opnieuw op. Anders dan het konijn leeft het solitair: het graaft geen burcht, gebruikt hooguit bij vorst een leeg vossen- of marmottenhol als schuilplaats, en heeft een leefgebied van enkele hectaren. De voortplanting verloopt snel: van maart tot september drie tot vier worpen, soms zeven, van drie tot acht jongen na een draagtijd van 28 dagen; een vrouwtje is binnen enkele uren na de worp opnieuw drachtig. De jongen worden naakt en blind geboren, openen na een week de ogen en verlaten het nest na twee weken. De sterfte is hoog: de meeste dieren worden geen jaar oud.
Waar en wanneer kijken
Zoek in Piëmont en Lombardije in het laatste uur voor donker langs de randen van rijstvelden en populierenaanplant, of in Frankrijk langs een braamrand aan een weiland. Het dier drukt zich eerst en rent pas daarna weg; let bij het wegrennen op de staart. Na sneeuwval kan het Y-vormige spoor worden gevolgd naar een leger onder een braamstruik. Bij tellingen van konijnen in Noord-Italië moeten beide soorten worden onderscheiden, omdat ze vaak in hetzelfde gebied voorkomen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2019) in het oorspronkelijke gebied, waar het het algemeenste kleinwild van Noord-Amerika is. In Europa is het een exoot, en de aandacht gaat uit naar de effecten op inheemse soorten. Het draagt het myxomatosevirus en het konijnenvirus RHDV zonder er zelf veel last van te hebben, en geldt daarmee als reservoir voor ziekten die bij het inheemse konijn periodiek hoge sterfte veroorzaken. Het concurreert daarnaast om voedsel met konijn en haas, en er zijn aanwijzingen dat het in de Po-vlakte de dichtheid van de haas verlaagt. Italië heeft de soort op de lijst van invasieve uitheemse soorten gezet met als doel uitroeiing, wat in de praktijk niet haalbaar is gebleken. Op de Unielijst van invasieve exoten van de Europese Unie (Verordening 1143/2014) staat de soort niet, ook niet in de geconsolideerde lijst van augustus 2025; Spanje neemt de soort wel op in de nationale catalogus.
Wetenschappelijke naam
Sylvilagus floridanus | (J. A. Allen, 1890)
J. A. Allen beschreef de soort in 1890 als Lepus sylvaticus floridanus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Sylvilagus verbindt het Latijnse silva 'bos' met het Griekse lagōs 'haas': de boshaas. floridanus betekent 'van Florida', waar Allen het dier beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Verenigde Staten, Florida.






