Alle soorten › Vleermuizen › Bladneusvleermuizen › Drietandbladneusvleermuis
Drietandbladneusvleermuis | Asellia tridens
Trident leaf-nosed bat | Asellia tridens
De drietandbladneusvleermuis is een woestijnvleermuis uit de familie van de rondbladneusvleermuizen (Hipposideridae). De soort is beschreven uit de omgeving van Luxor in Egypte. Zij leeft in woestijnen en halfwoestijnen van Noord-Afrika en het Midden-Oosten tot Pakistan, vooral bij oasen en droge rivierbeddingen. De naam verwijst naar de achterrand van het neusblad, die in drie punten uitloopt.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Verblijven liggen in grotten, mijnen, rotsholten, ondergrondse irrigatiegangen (foggara's en qanats) en in gebouwen, kelders en graven. Onder de hangplaatsen ligt mest met resten van kevers, nachtvlinders, vliegen en sprinkhanen. De dieren hangen vrij aan het plafond. Kolonies variëren van enkele dieren tot zeer grote groepen, in Iraanse grotten tot 5000 dieren; meestal bevat een verblijf alleen deze soort, soms samen met de nijlroezet, Triaenops persicus of klapneusvleermuizen. Kort na zonsondergang vliegen de dieren uit. Op een batdetector met een bereik tot boven 120 kHz is de soort aan de hoge, constante toon te herkennen; veel eenvoudige detectoren gaan niet zo hoog.
Herkenning
Een middelgrote vleermuis met een korte snuit en een groot, samengesteld neusblad; de achterrand van het neusblad draagt drie driehoekige uitsteeksels. Een zadel met lancet, zoals bij de hoefijzerneuzen, ontbreekt. De oren zijn groot, breed en spits en hebben geen tragus. De vacht is beige tot licht bruingrijs op de rug en lichter op de buik. Kop-romplengte 41 tot 60 mm, staart 16 tot 29 mm, oor 14 tot 22 mm, onderarm 45 tot 55 mm, gewicht 6 tot 13 gram. De soort is de grootste van het geslacht Asellia. De echolocatie bestaat uit signalen met een constante frequentie van 115 tot 120 kHz gevolgd door een korte frequentiemodulatie; de constante frequentie verschilt per dier en is lager naarmate het dier groter is. In Tunesië lag de frequentie met de meeste energie bij gemiddeld 118,9 kHz.
Gelijkende soorten
In de woestijnstreken van Noord-Afrika en het Midden-Oosten zijn de hoefijzerneuzen (Rhinolophus) de enige andere vleermuizen met een groot neusblad. Hun neusblad heeft een hoefijzervormig onderdeel, een zadel en een rechtopstaande, spitse lancet; bij de drietandbladneusvleermuis ontbreken zadel en lancet en eindigt het neusblad achteraan in drie punten. In de hand hebben rondbladneusvleermuizen twee kootjes in elke teen, hoefijzerneuzen drie in de meeste tenen. Op de batdetector ligt de constante frequentie van de drietandbladneusvleermuis boven die van de hoefijzerneuzen in dezelfde streken, al komt de kleine hoefijzerneus (Rhinolophus hipposideros) er in sommige gebieden dicht bij. De klapneusvleermuizen (Rhinopoma), die dezelfde verblijven gebruiken, hebben een kleine neusplooi en een lange, dunne staart.
Leefgebied
Woestijn en halfwoestijn in uiteenlopende vormen, met een voorkeur voor oasen en droge rivierbeddingen (wadi's). De soort leeft meestal laag, maar is tot 2000 m hoogte gevonden. De verblijven zijn ondergronds of in gebouwen; de jachtgebieden liggen op 1,5 tot 2 km van de verblijfplaats, in palmtuinen, bij water en boven begroeide wadi's.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De ondersoort A. t. tridens leeft in Noord-Afrika van Marokko, Mauritanië en Senegal oostwaarts door Egypte en Soedan tot Eritrea, Ethiopië, Djibouti en Somalië; A. t. murrianus leeft in het Midden-Oosten, van Syrië, Irak, Israël, de Palestijnse gebieden en Jordanië over het Arabisch Schiereiland tot West-Afghanistan en Zuid-Pakistan. Vroeger werden tot vier ondersoorten onderscheiden; moleculair onderzoek ondersteunt er twee. In het noordelijke deel van het areaal liggen de waarnemingen in Israël en de Palestijnse gebieden, Egypte, Tunesië, Marokko, Algerije, en in kleine aantallen Syrië en Jordanië, telkens in de woestijnrand ten zuiden van de mediterrane zone. In Europa komt de soort niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief. De dieren vliegen kort na zonsondergang uit; mannetjes hebben twee activiteitspieken per nacht, vrouwtjes één, met de hoogste activiteit direct na zonsondergang. Zij jagen laag boven de grond op grote insecten: kevers, nachtvlinders, vliegen en sprinkhanen. De voortplanting is seizoensgebonden, met één jong per jaar in de zomer. In Afrika zijn vrouwtjes drachtig in april en mei en zijn er in juli afhankelijke jongen; in het Midden-Oosten zijn zij drachtig van april tot juni, worden de jongen in juni en juli geboren en duurt de zoogtijd ongeveer 40 dagen. Drachtige vrouwtjes vormen afzonderlijke kraamkolonies, en de aantallen in een verblijf wisselen met het seizoen. Beide geslachten leggen in de herfst vet aan. In een groot deel van het Midden-Oosten verdwijnen de dieren in de winter uit hun verblijven en keren zij in april of mei terug; of zij dan wegtrekken of elders in winterrust gaan, is niet vastgesteld.
Waar en wanneer kijken
De soort is het best waar te nemen bij het uitvliegen aan een grotingang, een oude qanat of een verlaten gebouw bij een oase, op een warme avond tussen april en oktober. Voor akoestische waarneming is een detector nodig die frequenties tot ongeveer 125 kHz registreert; een opname met een constante toon rond 118 kHz wijst in de woestijnstreken van Noord-Afrika en het Midden-Oosten op deze soort. Kraamverblijven worden van april tot augustus niet betreden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2017), op grond van het grote areaal, dat voor een groot deel in afgelegen en droge gebieden ligt. In landen die partij zijn bij het EUROBATS-verdrag valt de soort onder dat verdrag. Omdat een groot deel van een lokale populatie in één verblijf kan samenkomen, raakt verstoring van een grot, mijn of irrigatiegang veel dieren tegelijk.
Wetenschappelijke naam
Asellia tridens | (É. Geoffroy Saint-Hilaire, 1813)
É. Geoffroy Saint-Hilaire beschreef de soort in 1813 als Rhinolophus tridens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Asellia gaat vermoedelijk terug op het Latijnse asellus 'ezeltje', verkleinwoord van asinus 'ezel'; Gray licht de naam nergens toe. tridens is Latijn voor 'drietand', van tres 'drie' en dens 'tand', naar het neusblad dat in drie punten uitloopt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Luxor.





