Alle soorten › Zangvogels › Lachvogels › Zwartteugelbabbelaar

Zwartteugelbabbelaar | Turdoides melanops

Black-Faced Babbler | Turdoide Enmascarado

De zwartteugelbabbelaar is een schuwe, donkere babbelaar van dichte struiklagen in het Kalahari-zandveld van het noorden van Namibië, het noordwesten van Botswana en het zuidwesten van Angola. Het bleekgele oog in het zwarte gezicht en de nasale, klagende roepen onderscheiden hem van de pijlpuntbabbelaar.

Zwartteugelbabbelaar (Turdoides melanops)
Foto: Joseph Morlan — CC BY-SA 4.0 · iNaturalist

Geluid

Opvallend nasaal en klagend, anders dan de andere babbelaars: een herhaald wèh-wèh-wèh of kwèh-kwèh, dat door de groepsleden wordt overgenomen tot een zeurend, jankend koor. Het alarm is een schor, raspend tsjèrr.

Luister: RoepXC189023

Opname: Niall Perrins — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

26–28 cm. Een vrij grote, donkere babbelaar met een lange staart. De bovenzijde is warm donkerbruin. Kop, keel en borst zijn donker grijsbruin met lichte, witachtige randen en punten aan de veren, wat een fijn geschubd of gestreept patroon geeft. Teugels en voorhoofd zijn zwart en vormen een klein masker. Het oog is opvallend bleek citroengeel. De buik is iets lichter, vleugels en staart zijn donkerbruin. Snavel en poten zijn zwart. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben een donker oog en een minder duidelijk masker.

Verwarrings­soorten

De pijlpuntbabbelaar Turdoides jardineii, die in de Okavango en langs de Kavango in hetzelfde gebied voorkomt, is grijzer, heeft geen zwarte teugel, een oranje tot rood oog en witte pijlpuntvormige streepjes; zijn koor is harder en ratelender. De Hartlaubs babbelaar Turdoides hartlaubii heeft een witte stuit en een rood oog en leeft in riet en oeverbegroeiing. De naaktwangbabbelaar Turdoides gymnogenys heeft een witte kop en onderzijde.

Leefgebied

Dicht struikgewas en ondergroei in breedbladig bosveld op Kalahari-zand, met onder meer Baikiaea, Burkea en Terminalia, ook in dichte acaciabosjes en in struikgewas langs droge rivierbeddingen. Schuwer dan de pijlpuntbabbelaar: groepen van drie tot acht vogels blijven meestal diep in dekking en foerageren op de grond in het strooisel naar insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het noorden van Namibië (van het Ovamboland en de Otavi-bergen via de Kavango tot de westelijke Zambezi-regio, onder meer bij Mahango), in het noordwesten van Botswana (Ngamiland, de Okavango-panhandle en Tsodilo) en in het zuidwesten van Angola (Huíla, Namibe, Cunene, Benguela en het westen van Cuando Cubango). De Oost-Afrikaanse populaties, van Kenia tot Rwanda en Tanzania, worden soms bij deze soort gerekend, maar meestal als aparte soort Turdoides sharpei beschouwd.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Zoek hem in de dichte struiklagen van het zandveld rond Rundu, in Mahango en de Okavango-panhandle (bijvoorbeeld rond Shakawe) en bij Tsodilo. Het nasale gejank is meestal het enige teken; ga stil zitten waar een groep roept en wacht tot de vogels zich een voor een vertonen. Het gele oog in het zwarte gezicht is dan het beslissende kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; plaatselijk vrij algemeen, maar wordt weinig gezien. Het kappen en afbranden van het dichte bosveld op Kalahari-zand, voor landbouw en hout, verkleint het leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Turdoides melanops | (Hartlaub, 1867)

Hartlaub beschreef de soort in 1867 als Crateropus melanops; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Turdoides werd in 1826 ingevoerd door Cretzschmar. Turdoides komt van het Latijnse turdus, 'lijster', met het Griekse achtervoegsel -oidēs, 'gelijkend op' — naar het lijsterachtige postuur van de babbelaars. melanops komt van het Griekse melas, 'zwart', en ōps, 'gezicht, oog' — naar de zwarte teugel rond het lichte oog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Damaraland, Namibië.