Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Kakelaars › Zwarte boomhop
Zwarte boomhop | Rhinopomastus aterrimus
Black Scimitarbill | Abubilla Arbórea Negra
De zwarte boomhop is een kleine, geheel zwarte boomhop met een gebogen snavel, in het gebied alleen bekend uit Angola. Hij foerageert klauterend in de kruinen van open bos en is daar de noordelijke tegenhanger van de Zuid-Afrikaanse boomhop.
Geluid
Hoge, klagelijke fluittonen, pie-pie-pie of wie-wie-wie, in een langzame reeks, en een zacht kwetterend gekeuvel.
Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 24 cm, met een lange, getrapte staart. Het verenkleed is zwart met een blauwe tot paarse glans; de hoeveelheid wit in de handpennen verschilt per vorm en is vaak klein. De snavel is zwart, dun en duidelijk gebogen, maar minder sterk dan bij de Zuid-Afrikaanse boomhop. Het vrouwtje is doffer, met een bruinzwarte kop. Klautert en hangt aan takken en vliegt met snelle slagen.
Verwarringssoorten
De Zuid-Afrikaanse boomhop (Rhinopomastus cyanomelas) heeft een langere, sterker sikkelvormige snavel en een duidelijke witte vleugelband; hij komt in het zuiden van Angola voor, zodat beide soorten elkaar daar kunnen raken. De groene kakelaar (Phoeniculus purpureus) is veel groter, met een rode snavel en rode poten.
Leefgebied
Miombo- en ander open loofbos, beboste savanne en bosranden. Foerageert in paren of kleine groepen in de kruinlaag op insecten en larven, die met de snavel uit schors en dode takken worden gehaald. Broedt in boomholten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen in Angola, vooral in het noorden en midden van het land. Verder over een brede savannegordel van Senegal tot Ethiopië en zuidelijk tot de Democratische Republiek Congo en Tanzania.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Angola het best te zoeken in miombo op het centrale plateau, vaak in gemengde foerageergroepen. Luister naar de trage reeks hoge fluittonen en let op de minder gebogen snavel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en over het grote areaal wijdverspreid, al is de soort in Angola slecht onderzocht en daar weinig gemeld.
Wetenschappelijke naam
Rhinopomastus aterrimus | (Stephens, 1826)
Stephens beschreef de soort in 1826 als Promerops aterrimus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhinopomastus werd in 1828 ingevoerd door Jardine. Rhinopomastus komt van het Griekse rhis, genitief rhinos, 'neusgaten', en pōma, 'deksel' — naar de neusgaten die door een schubvormig dekseltje bijna geheel worden afgedekt (Jardine 1828). aterrimus is Latijn voor 'zeer zwart', de overtreffende trap van ater — naar het donkere, glanzend zwarte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal (oorspronkelijk alleen 'Afrika').

