Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Zwarte albatros

Zwarte albatros | Phoebetria fusca

Sooty Albatross | Albatros Ahumado

De zwarte albatros is een slanke, geheel donkere albatros met lange, smalle vleugels en een wigvormige staart. Hij broedt op de kliffen van de Prins Edwardeilanden en foerageert in warmere wateren dan zijn naaste verwant, de roetkopalbatros.

Zwarte albatros (Phoebetria fusca)
Foto: Nweider — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee stil. Op de broedplaats een doordringende, tweelettergrepige roep, pee-aa, gegeven met de kop omhoog en de keel opgeblazen, en daarnaast snavelgeklepper; paren vliegen in gesynchroniseerde baltsvluchten langs de kliffen.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Ongeveer 84 tot 89 cm, met een spanwijdte van rond de 2 m. Het hele verenkleed is donker roetbruin; kop en vleugels zijn het donkerst en de rug is nauwelijks lichter, zodat de vogel ook bij goed licht egaal donker oogt. De handpennen hebben witte schachten. Om het oog ligt een smalle, onderbroken witte halve ring. De snavel is zwart met een gele tot oranje streep langs de groef van de ondersnavel. De staart is lang en spits. Jonge vogels hebben een lichte, schubachtige nek en mantel en een doffere, grijsgele snavelstreep, en lijken daardoor meer op de roetkopalbatros.

Verwarrings­soorten

De roetkopalbatros (Phoebetria palpebrata) heeft een duidelijk lichtere, asgrijze mantel en rug, die contrasteert met de donkere kop en vleugels, en een blauwe tot lila streep op de ondersnavel. Donkere jonge reuzenstormvogels, zuidelijke (Macronectes giganteus) en noordelijke (Macronectes halli), zijn plomper, met brede vleugels en een zware, bleke snavel. De witkinstormvogel (Procellaria aequinoctialis) is veel kleiner, heeft een bleke snavel en een korte, afgeronde staart.

Leefgebied

Open oceaan in subtropische en koelgematigde wateren ten noorden van het subantarctisch front, vooral boven diep water. Eet pijlinktvis, vis, kreeftachtigen en aas, en volgt schepen minder vaak dan andere albatrossen. Broedt verspreid in kleine groepjes op richels en in nissen van steile kliffen en rotswanden, soms tot ver landinwaarts.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedt binnen het gebied op Marion en Prince Edward, verspreid over de kliffen langs de kust. Op zee is hij een schaarse gast boven diep water voor de West- en Zuid-Kaap, vooral in de winter, en zeldzaam voor de oostkust. Verder broedt hij op Tristan da Cunha, Gough, Crozet, Kerguelen en Amsterdam en Saint-Paul, en zwerft hij over de Atlantische en Indische Oceaan tussen ongeveer 30° en 50° zuiderbreedte.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest te verwachten tijdens winterse pelagische tochten naar diep water voor Kaapstad, waar hij meestal alleen en op afstand langsscheert. Kijk naar het contrast tussen rug en kop: geen contrast wijst op deze soort. De gekleurde snavelstreep is alleen van dichtbij of op een foto te zien.

Staat van instandhouding

Bedreigd. De populaties zijn op Gough en elders sterk afgenomen, vooral door bijvangst aan de lijnen van de beuglijnvisserij op tonijn in subtropische wateren. De soort broedt maar eens in de twee jaar en wordt pas laat geslachtsrijp, zodat verliezen traag worden ingehaald. Op Marion vormen ingevoerde muizen een bijkomende dreiging voor de jongen.

Wetenschappelijke naam

Phoebetria fusca | (Hilsenberg, 1822)

Hilsenberg beschreef de soort in 1822 als Diomedea fusca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoebetria werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Phoebetria komt van het Griekse phoibētria, 'profetes, waarzegster' — volgens Coues (1882) passend voor albatrossen, wier onheilspellende voorspellende betekenis bekend is uit Coleridges The Rime of the Ancient Mariner. fusca is Latijn voor 'donker, bruinzwart' — naar het egaal donkere verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Straat Mozambique.