Alle soorten › Spechtachtigen › Afrikaanse baardvogels › Zuidelijke roodvoorhoofdketellapper

Zuidelijke roodvoorhoofdketellapper | Pogoniulus pusillus

Southern Red-Fronted Tinkerbird | Barbudito Frentirrojo Sureño

De zuidelijke roodvoorhoofdketellapper is een kleine, gestreepte baardvogel met een scharlakenrode voorhoofdsvlek, vrijwel beperkt tot het zuidoosten van het gebied. Waar zijn verspreiding aan die van de geelvoorhoofdketellapper grenst, komen bastaarden met een oranje voorhoofd voor.

Zuidelijke roodvoorhoofdketellapper (Pogoniulus pusillus)
Foto: Alandmanson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, eentonige reeks tokkende noten, pop-pop-pop-pop, rond twee per seconde en soms minutenlang zonder onderbreking; nauwelijks te onderscheiden van de geelvoorhoofdketellapper, maar duidelijk anders dan de korte groepjes van de geelstuitketellapper. Daarnaast een snelle, droge tril.

Luister: ZangXC802688

Opname: Maarten Sluijter — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 10 cm, met een korte staart en een kleine zwarte snavel. Het gezicht heeft een zwart-wit streeppatroon met een smalle lichte wenkbrauwstreep; het voorhoofd is helderrood. Bovendelen zwart met gele en witte strepen, stuit citroengeel, vleugels zwart met gele randen aan de pennen. Onderdelen lichtgeel tot grijsachtig wit. De seksen zijn gelijk; jonge vogels missen de rode voorhoofdsvlek of hebben die slechts vaag, en hebben een bleke snavelbasis.

Verwarrings­soorten

De geelvoorhoofdketellapper (Pogoniulus chrysoconus) is op het voorhoofd na gelijk, dat geel tot oranje is; in de contactzone in Mpumalanga, Eswatini en het noorden van KwaZoeloe-Natal zijn vogels met een oranje voorhoofd niet met zekerheid aan een van beide soorten toe te wijzen. De geelstuitketellapper (Pogoniulus bilineatus) heeft een ongestreepte zwarte rug en geen gekleurd voorhoofd.

Leefgebied

Kustbush, droge bosranden, doornveld, oeverbos en struwelen met maretakken; vaak in drogere en opener terrein dan de geelstuitketellapper. Eet vooral maretakbessen en andere kleine vruchten, aangevuld met insecten. Hakt een nestholte uit in een dunne dode tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Alleen het zuidoosten van het gebied: de Oost-Kaap vanaf de omgeving van Gqeberha noordoostwaarts, KwaZoeloe-Natal, Eswatini, het oosten van Mpumalanga en het zuiden van Mozambique. Komt buiten dit gebied niet voor; de rood-voorhoofdige ketellappers van Noordoost- en Oost-Afrika worden tegenwoordig als de aparte noordelijke roodvoorhoofdketellapper (Pogoniulus uropygialis) beschouwd.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het vaakst waargenomen in de kustbush van de Oost-Kaap en KwaZoeloe-Natal, waar de reeks roepen jaarrond te horen is. Zoek maretakken in doornbomen af: de vogel komt er herhaaldelijk terug om bessen te plukken. In de contactzone met de geelvoorhoofdketellapper loont het om de voorhoofdskleur in goed licht te beoordelen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en binnen zijn kleine areaal algemeen. Als soort met een verspreiding die vrijwel tot het gebied beperkt is, verdient het behoud van kustbush in de Oost-Kaap en KwaZoeloe-Natal aandacht.

Wetenschappelijke naam

Pogoniulus pusillus | (Dumont, 1816)

Dumont beschreef de soort in 1816 als Bucco pusillus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pogoniulus werd in 1842 ingevoerd door De Lafresnaye. Pogoniulus is een verkleinvorm van Pogonias, van het Griekse pōgōnias, 'gebaard' — dus 'baardvogeltje', passend bij deze kleinste baardvogels. pusillus is Latijn voor 'heel klein' — naar de geringe grootte van dit vogeltje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zondags- en Swartkopsrivier, Oost-Kaap, Zuid-Afrika.