Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Bijeneters › Zuidelijke karmijnrode bijeneter

Zuidelijke karmijnrode bijeneter | Merops nubicoides

Southern Carmine Bee-Eater | Abejaruco Carmesí Sureño

De zuidelijke karmijnrode bijeneter is de grootste en kleurrijkste bijeneter van het gebied: een karmijnrode vogel met een blauwe kruin en lange staartpunten, die in kolonies van honderden tot duizenden paren broedt in steile rivieroevers. Na het broeden zwerft hij zuidwaarts over de savanne, waar hij graag grazende dieren, trappen en bosbranden volgt om opvliegende insecten te vangen.

Zuidelijke karmijnrode bijeneter (Merops nubicoides)
Foto: Lip Kee from Singapore, Republic of Singapore — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diepe, schorre roep, terk of trrik, vaak herhaald als terk-terk-terk. Een kolonie is van ver te horen als een aanhoudend, rauw gekwetter; ook foeragerende groepen roepen veel in de vlucht.

Luister: OpnameXC1008874

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Het lichaam is 24–27 cm, met sterk verlengde middelste staartpennen die tot 12 cm uitsteken. Kruin en voorhoofd zijn turquoiseblauw, met een brede zwarte oogstreep eronder. Keel, wangen, borst en mantel zijn diep karmijnroze, de vleugels en staart donkerder rozerood; stuit, onder- en bovenstaartdekveren zijn lichtblauw. De lange, gebogen snavel is zwart. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer en bruiner, met een roze-bruine keel, lichte schubben op de bovendelen en zonder staartpunten. In vlucht valt het rood met de blauwe stuit en de lange spitse staart op, ook tegen een felle lucht.

Verwarrings­soorten

Binnen het gebied met geen andere soort te verwarren: geen andere bijeneter is zo rood. De noordelijke karmijnrode bijeneter (Merops nubicus) heeft een blauwgroene in plaats van roze keel en komt in het gebied niet regelmatig voor. Jonge vogels zonder staartpunten kunnen in slecht licht aan de bijeneter (Merops apiaster) doen denken, maar missen de gele keel en de goudbruine mantel.

Leefgebied

Broedt in steile zandige oevers van grote rivieren, zandbanken en soms vlakke zandgrond, in holen van anderhalf tot twee meter diep. Buiten de broedtijd open savanne, mopaneveld, graslanden, vloedvlakten en landbouwgrond, vaak bij water. Jaagt vanaf een uitkijkpost of in de vlucht op grote vliegende insecten, vooral sprinkhanen, bijen, wespen en kevers. Rijdt graag mee op de rug van koritrappen, struisvogels of vee, en verzamelt zich bij bosbranden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedt vooral in het noorden van het gebied: in de Zambezivallei (Zambia, Zimbabwe, Mozambique), langs de Luangwa, de Kafue en de Shire, in de Caprivi en het noorden van Botswana (Chobe, Okavango) en in Angola. Trekt na het broeden, van december tot maart, zuidwaarts naar het noorden van Botswana en Namibië, Zimbabwe en het noordoosten van Zuid-Afrika (vooral Kruger en Limpopo); zeldzaam verder zuidelijk. Buiten het gebied tot in het zuiden van Congo-Kinshasa en Tanzania, waar de soort de wintermaanden doorbrengt.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het spektakel van een broedkolonie is een hoogtepunt van elke reis naar de Zambezi, de Luangwa of de Chobe in september–november; vanaf een boot zijn de vogels van dichtbij te zien terwijl ze in en uit hun holen vliegen. Buiten de broedtijd loont het om te letten op koritrappen in grasland: een rode vogel op de rug van de trap is vrijwel zeker deze soort. Rook van een bosbrand trekt vaak tientallen bijeneters aan.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en plaatselijk talrijk, maar sterk afhankelijk van een beperkt aantal grote kolonies. Die zijn kwetsbaar voor overstromingen door stuwdammen, zandwinning, oevererosie en verstoring door toeristen en jagende mensen. Het bestrijden van sprinkhanen met insecticiden kan de voedselvoorraad plaatselijk verminderen.

Wetenschappelijke naam

Merops nubicoides | des Murs & Pucheran, 1846

Des Murs & Pucheran beschreef de soort in 1846 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Merops werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Merops is Grieks en betekent 'bijeneter'. nubicoides betekent 'lijkend op nubicus', de noordelijke karmijnrode bijeneter, waarvan deze soort het zuidelijke evenbeeld is. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ouri-rivier, voormalig Transvaal (Zuid-Afrika).