Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Zuid-Georgisch alkstormvogeltje

Zuid-Georgisch alkstormvogeltje | Pelecanoides georgicus

South Georgia Diving Petrel | Potoyunco de Georgia del Sur

Het Zuid-Georgisch alkstormvogeltje is een klein, gedrongen zwart-wit zeevogeltje dat net als een alk met zijn vleugels onder water vliegt. Het is de iets kleinere, nauwelijks te onderscheiden tweelingsoort van het alkstormvogeltje. In het gebied broedt het alleen op de Prins Edwardeilanden, en op Marion keert het sinds het verdwijnen van de katten langzaam terug.

Zuid-Georgisch alkstormvogeltje (Pelecanoides georgicus)
Foto: TheyLookLikeUs — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee meestal zwijgzaam. Op de kolonies 's nachts klaaglijke, miauwende roepen en reeksen piepende tonen, ook in de vlucht. Ze klinken anders dan de roep van het alkstormvogeltje.

Luister: ZangXC295661

Opname: Johannes Fischer — CC BY-NC-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 19 cm, iets kleiner dan het alkstormvogeltje, met dezelfde kogelronde bouw: een korte nek, korte smalle vleugels en een korte staart. De bovendelen zijn glanzend zwart, de onderdelen wit. Keel en kin zijn helder wit; alleen op de zijkant van de hals zit een grijze vlek, die een onvolledige kraag vormt. Witte toppen aan de armpennen geven de vleugel een smalle lichte achterrand, en witachtige toppen aan de schouderveren vormen een lichte streep op de rug. De ondervleugel is wit met lichtgrijze slagpennen. De korte snavel is aan de basis breed, zwart met lichtblauwe randen. De poten zijn blauw, met een zwarte lijn langs de achterzijde van de loop. De seksen zijn gelijk. Vliegt met snorrende vleugelslag laag over het water, duikt zonder aarzelen een golf in en komt verderop weer vliegend boven.

Verwarrings­soorten

Het alkstormvogeltje (Pelecanoides urinatrix) broedt eveneens op de Prins Edwardeilanden en lijkt er sterk op. Het is gemiddeld groter en heeft een smallere snavel met evenwijdiger zijkanten. Hals en borstzijden dragen een uitgebreidere grijze waas, de ondervleugel is grijzer, en de lichte achterrand van de vleugel en de lichte schouderstreep ontbreken of zijn zwak. Op zee zijn de twee vrijwel niet uit elkaar te houden; alleen scherpe foto's van snavel en vleugels geven houvast. Op het land helpt de broedplek: het alkstormvogeltje graaft in venige, begroeide hellingen bij de kust, deze soort op kale, hooggelegen sintelhellingen. Stormvogeltjes fladderen boven het water in plaats van erin te duiken, en prions zijn blauwgrijs met een donkere M over de vleugels.

Leefgebied

Koude, subantarctische zee rond de broedeilanden, waar de vogels ook buiten het broedseizoen grotendeels blijven. Jaagt duikend, met de vleugels als vinnen en poten en staart als roer, gewoonlijk tot zo'n twintig meter en soms tot bijna vijftig meter diep. Het voedsel bestaat vooral uit krill en andere kleine kreeftachtigen, daarnaast uit visjes en jonge inktvissen. Broedt in kolonies, in zelfgegraven holen van ruim een meter lang in los sintel- en puingesteente, hoog op de hellingen boven de begroeiingsgrens. Het legt één wit ei; de broedduur is ongeveer zeven weken en het jong vliegt na zes tot acht weken uit. De kolonies worden alleen 's nachts bezocht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedt op subantarctische eilanden in het zuiden van de Atlantische en de Indische Oceaan: Zuid-Georgia, de Prins Edwardeilanden, de Crozet- en Kerguelen-eilanden en Heard. Dwaalgasten zijn gemeld bij de Falklandeilanden en in Zuidoost-Australië. In het gebied broedt het alleen op de Prins Edwardeilanden. Op Marion was de soort in 1948 nog algemeen, maar kort daarna werden er katten uitgezet om de muizen te bestrijden, en de populatie stortte in: in 1979 werden nog maar 44 holen gevonden. De laatste kat werd in 1991 gevangen. In 2011 werd voor het eerst in 32 jaar weer een broedgeval vastgesteld, en sindsdien broedt er opnieuw een klein aantal paren. Op Prince Edward zijn nooit ingevoerde roofdieren geweest; daar wordt een ongestoorde broedpopulatie vermoed, maar hoe groot die is, weet niemand.

Hoe en wanneer kijken

Deze soort is alleen te zien vanaf schepen rond de Prins Edwardeilanden of door onderzoekers op Marion. Een duikstormvogel op zee is meestal niet op soort te brengen, dus fotografeer vliegende vogels zo veel mogelijk van boven en van onder. Let op een lichte achterrand van de vleugel, een lichte schouderstreep en een witte ondervleugel. Op Marion wijst een hol hoog op een kale sintelhelling, ver van de kust, eerder op deze soort dan op het alkstormvogeltje.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (IUCN: Least Concern); de wereldpopulatie is groot. De regionale Rode Lijst van Zuid-Afrika deelt de soort wel in als gevoelig, met een dalende trend, omdat de broedpopulatie in het land klein is. Ingevoerde katten en ratten hebben kolonies op meerdere eilanden aangetast. Op Marion is de huismuis nog een bedreiging voor eieren en jongen in het hol, en er loopt een project om ook de muizen van het eiland te verwijderen.

Wetenschappelijke naam

Pelecanoides georgicus | Murphy & Harper, 1916

Murphy & Harper beschreef de soort in 1916 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pelecanoides werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Pelecanoides betekent 'pelikaanachtig', van het Griekse pelekan, 'pelikaan', en -oidēs, 'gelijkend op' — naar de rekbare keelzak waarin deze vogels voedsel voor hun jongen meebrengen. georgicus is Latijn voor 'van Georgia' — naar Zuid-Georgia, het eiland in de zuidelijke Atlantische Oceaan waar de soort werd ontdekt en de typelocatie ligt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cumberland Bay, Zuid-Georgia.