Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Woudaapje
Woudaapje | Botaurus minutus
Little Bittern | Avetorillo Común
Het woudaapje is de kleinste reiger van het gebied, een schichtige rietbewoner die meestal pas opvalt als hij kort laag over het riet wegvliegt en het lichte vleugelvlak laat zien. Er komen twee vormen voor: de standvogel payesii en de Europese nominaatvorm als wintergast.
Geluid
Het mannetje roept in de broedtijd een laag, blaffend woeh of rao, met tussenpozen van enkele seconden en vaak urenlang herhaald, ook 's nachts. Opgejaagd of in de vlucht een kort, schor kek of kwer.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
33–38 cm, spanwijdte 49 tot 58 cm. Het mannetje heeft een zwarte kruin, zwarte rug en staart en een groot, roomkleurig tot okergeel vleugelvlak dat fel afsteekt tegen de zwarte slagpennen; hals en onderdelen zijn warm okergeel. Bij de Afrikaanse vorm payesii zijn hals- en kopzijden kastanjebruin, bij de Europese vorm meer grijsbeige. Het vrouwtje is bruiner, met een bruine, licht gestreepte rug, een vaaler vleugelvlak en gestreepte voorhals. Jonge vogels zijn zwaar gestreept, ook op het vleugelvlak. De snavel is geel, de poten groengeel. Vliegt met snelle, ondiepe vleugelslagen, meestal maar een klein stukje.
Verwarringssoorten
De Afrikaanse woudaap Botaurus sturmii heeft effen leigrijze bovendelen zonder vleugelvlak, zware strepen op de onderdelen en oranjegele poten. De mangrovereiger Butorides striata is grijs met een zwarte kap en geen licht vleugelvlak. De ralreiger Ardeola ralloides is groter, okerbruin met in de vlucht geheel witte vleugels.
Leefgebied
Rietlanden, lisdoddevelden en papyrus langs meren, rivieren, dammen en vleien, ook kleine rietkragen bij rioolzuiveringen en in stedelijk gebied. Klimt behendig tussen de stengels en jaagt op kleine vissen, kikkers en insecten. Het nest is een klein platform van rietbladeren tussen de stengels, vlak boven het water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Over het grootste deel van het gebied waar rietmoerassen zijn: in Zuid-Afrika wijdverspreid in de West-Kaap, de oostelijke provincies en op het hoogveld, schaars in de Karoo; verder in Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Botswana (vooral de Okavango), Noord-Namibië, Zambia, Malawi, Mozambique en Angola. Ontbreekt in de droge westelijke binnenlanden. Europese wintergasten zijn vooral in het noorden en oosten van het gebied te vinden. Buiten het gebied broedt de soort in Europa, West- en Centraal-Azië, Afrika ten zuiden van de Sahara en op Madagaskar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Wacht bij zonsopkomst op een plek met open zicht over een rietmoeras en let op een kleine, geelbruine vogel die laag wegvliegt met een licht vleugelvlak. In de zomermaanden is het blaffen van het mannetje de beste aanwijzing voor zijn aanwezigheid.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in het gebied vrij algemeen. De soort profiteert van kleine rietmoerassen bij dammen en zuiveringsinstallaties, maar lijdt plaatselijk onder het maaien en afbranden van riet en het droogleggen van vleien.
Wetenschappelijke naam
Botaurus minutus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Ardea minuta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Botaurus werd in 1819 ingevoerd door Stephens. Botaurus is middeleeuws Latijn voor 'roerdomp'; het woord verbindt het Latijnse bos 'rund' met taurus 'stier', naar de loeiende roep (vergelijk butire 'boemen'). minutus is Latijn voor 'klein': dit is de kleinste reiger van Europa. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland.
