Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Witvleugelstruikzanger
Witvleugelstruikzanger | Bradypterus carpalis
White-Winged Swamp Warbler | Zarzalero Aliblanco
De witvleugelstruikzanger is een grote, donkere struikzanger van de papyrusmoerassen rond de Grote Meren. Het noorden van Zambia vormt de zuidgrens van zijn areaal, zodat hij in het gebied tot de minst bekende moerasvogels behoort.
Geluid
Een luide, ritmische reeks tonen die versnelt tot een ratel, tsjuk-tsjuk-tsjuk-tsjuk-trrrrr, vaak begeleid door hoorbaar vleugelgeklepper of een snorrend geluid tijdens een korte baltsvlucht boven de papyrus. Roept een hard, droog tsjak. Zingt vooral 's ochtends vroeg en in de avond.
Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
17–18 cm; groot en zwaar voor een struikzanger. Bovenzijde egaal donker roestbruin, kruin iets donkerder. Onderdelen wit met zware zwartbruine strepen en vlekken op keel en borst; flanken en onderstaartdekveren bruin. Kenmerkend is de witte vleugelbocht, gevormd door witte randen van de kleine dekveren en de duimvleugel, die bij een zittende vogel als een wit vlekje aan de voorrand van de vleugel zichtbaar is. De staart is lang, breed en afgerond. Het oog is roodbruin, de snavel donker. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn olijfbruiner met een gelige zweem en minder scherpe borststrepen.
Verwarringssoorten
De moerasstruikzanger Bradypterus baboecala is kleiner, met hooguit fijne stippels op de keel, zonder witte vleugelbocht, en leeft meer in riet en zegge dan in papyrus. De papyrusrietzanger Acrocephalus rufescens is groter, ongestreept, met een lange snavel, en zingt luide, rollende frasen. De geelbuikrietzanger Calamonastides gracilirostris heeft gele onderdelen. De krekelzanger Locustella fluviatilis (doortrekker, december–maart) heeft een lichtere, fijner gestreepte keel en lange, wit getopte onderstaartdekveren en snort eentonig.
Leefgebied
Dichte papyrusmoerassen, vooral waar de papyrus overgaat in lisdodde, riet of olifantsgras aan de randen van meren en rivieren. Leeft laag in de vegetatie en komt zelden in het open.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied alleen in papyrusmoerassen in het noorden van Zambia, waar de soort de zuidgrens van haar areaal bereikt. Daarbuiten in het oosten van Congo-Kinshasa, Oeganda, Rwanda, Burundi, het westen van Kenia en het noordwesten van Tanzania.
Hoe en wanneer kijken
Een weinig waargenomen soort: zoek in grote papyrusmoerassen in het noorden van Zambia bij zonsopkomst naar de ratelende zang en het vleugelgeklepper. Wacht aan de rand van een open plek in de papyrus; de vogel klimt soms kort omhoog langs een stengel, waarbij de witte vleugelbocht en de gestreepte borst goed te zien zijn.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Afhankelijk van intacte papyrusmoerassen; het oogsten van papyrus, drooglegging voor landbouw en branden bedreigen de soort plaatselijk. In het gebied slecht bekend.
Wetenschappelijke naam
Bradypterus carpalis | Chapin, 1916
Chapin beschreef de soort in 1916 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Bradypterus werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Bradypterus komt van het Griekse bradus, 'traag', en -pteros, '-vleugelig' — naar de korte, ronde vleugels en de zwakke vlucht. carpalis is Nieuwlatijn voor 'van de pols', naar de witte vlekken op de vleugelboeg. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Faradje, noordoosten van DR Congo.
