Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Witnekraaf

Witnekraaf | Corvus albicollis

White-Necked Raven | Cuervo Cuelliblanco

De witnekraaf is de raaf van de bergen van oostelijk en zuidelijk Afrika: een zware, kortstaartige kraai met een enorme snavel die op thermiek langs kliffen en passen zweeft. Paren zijn trouw aan hun rotswand, en de vogels komen af op picknickplaatsen, bergpassen en wandelaars met brood.

Witnekraaf (Corvus albicollis)
Foto: Darren Obbard — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, hees kraak of een wat hoger, rauw kwaak, vaak in vlucht. Daarnaast kloppende, klokkende en gorgelende geluiden tussen partners, en in schijngevechten tijdens het zweven een reeks schorre kreten.

Luister: VluchtroepXC1149939

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

50–54 cm. Glanzend zwart, met een halvemaanvormige witte vlek op de achternek die bij een zittende vogel soms deels verborgen is. De snavel is zeer zwaar en diep, sterk gebogen op de rug, zwart met een witte punt. De vleugels zijn breed, de staart is kort en breed, zodat de vogel in vlucht bijna staartloos lijkt. De keelveren zijn ruig. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer en bruiniger, met een minder zuivere nekvlek.

Verwarrings­soorten

De schildraaf Corvus albus is slanker en heeft niet alleen een witte nek maar ook een witte borst, met een veel dunnere snavel en een langere staart. De Kaapse roek Corvus capensis is geheel zwart, met een lange, slanke snavel en een langere staart. De roodvleugelspreeuw Onychognathus morio, die dezelfde kliffen gebruikt, is veel kleiner en toont in vlucht roodbruine handpennen.

Leefgebied

Bergen en heuvels met kliffen, kloven en rotswanden, van zeeniveau in de Kaapse plooiberg tot hoog in de Drakensberg. Foerageert ook in aangrenzend grasland en boerenland, langs wegen op verkeersslachtoffers, op vuilnisbelten en bij dorpen. Eet aas, ongewervelden, kleine gewervelden, eieren, vruchten en afval, en laat schildpadden en botten op rotsen vallen om ze te breken. Nestelt op een richel of in een nis in een kliffenwand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika in de bergen van de West- en Oost-Kaap, de Drakensberg van KwaZulu-Natal en de Vrijstaat, en langs de oostelijke steilrand van Mpumalanga en Limpopo; algemeen in heel Lesotho en in het hoogland van Eswatini. Verder in het oostelijke hoogland en de granietheuvels van Zimbabwe, de bergen van west- en midden-Mozambique, Malawi (Nyika, Zomba, Mulanje) en het oosten van Zambia. Ontbreekt in Namibië, Botswana en Angola. Daarbuiten noordwaarts tot Tanzania, Kenia, Oeganda en het oosten van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Regelmatig te zien bij bergpassen en uitzichtpunten, zoals de Sani Pass, Golden Gate, de Drakensberg van KwaZulu-Natal en de Kaapse plooiberg, en op het Nyika-plateau. Let op zwevende paren langs kliffen in de late ochtend, als de thermiek op gang komt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in de bergen algemeen en profiteert plaatselijk van afval en verkeersslachtoffers. Vergiftigd aas dat voor jakhalzen en loslopende honden wordt uitgelegd, vormt wel een risico, net als elektrocutie aan hoogspanningsleidingen.

Wetenschappelijke naam

Corvus albicollis | Latham, 1790

Latham beschreef de soort in 1790 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Corvus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Corvus is het Latijnse woord voor 'raaf'. albicollis is Latijn voor 'witnekkig', van albus, 'wit', en collum, 'hals' — naar de witte vlek in de nek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Afrika (niet nader bepaald; later vastgelegd op Kaapstad).