Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Witkinstormvogel

Witkinstormvogel | Procellaria aequinoctialis

White-Chinned Petrel | Fardela Negra Grande

De witkinstormvogel is de grote, zwartbruine stormvogel die in zuidelijk Afrika het vaakst achter trawlers en beuglijnschepen hangt. De kleine witte kinvlek is meestal pas van dichtbij te zien; de bleke snavel valt eerder op.

Witkinstormvogel (Procellaria aequinoctialis)
Foto: Ed Dunens — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Achter schepen een snel, droog ratelend gekwetter, tititititi, bij ruzies om aas; dit geklepper leverde de Engelse bijnaam 'Shoemaker' op. In de kolonie kreunende en ratelende roepen vanuit de holen.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC863989

Opname: Kevin Guille — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

51–58 cm, groot en zwaar gebouwd, met lange vleugels en een korte, wigvormige staart. Geheel donker zwartbruin, ook op de ondervleugel, waar de slagpennen van onderen soms zilverig glanzen. Op de kin zit een witte vlek van variabele grootte, van vrijwel afwezig tot een brede band die tot op de wangen doorloopt. De zware snavel is ivoorkleurig tot lichtgroen-geel met donkere naden tussen de hoornplaten; de poten zijn zwart. Seksen en leeftijden zijn gelijk. Vliegt met langzame, stijve slagen en lange glijvluchten; in harde wind in hoge bogen.

Verwarrings­soorten

De brilstormvogel (Procellaria conspicillata) heeft een witte 'bril' rond de ogen en over de voorkruin; witkinstormvogels met veel wit op de kop kunnen daarop lijken, maar hun wit zit aan kin en keel. De Australische grote pijlstormvogel Ardenna carneipes is slanker, met een roze snavel met donkere punt en roze poten. De grauwe pijlstormvogel Ardenna grisea heeft een zilverige ondervleugel en een dunne, donkere snavel. De langvleugelstormvogel Pterodroma macroptera heeft een korte, geheel zwarte snavel en een grijzig gezicht. Jonge reuzenstormvogels, zoals de noordelijke reuzenstormvogel Macronectes halli, zijn veel groter met een massieve snavel.

Leefgebied

Open zee boven het continentale plat en daarbuiten, in koude en gematigde wateren; de gewoonste grote stormvogel in de Benguelastroom. Eet inktvis, vis en krill, gevangen van het oppervlak of met duiken tot ruim tien meter, en veel afval van vissersschepen. Broedt in holen in drassige, begroeide grond op subantarctische eilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedt op Marion en het Prins Edwardeiland. Het hele jaar talrijk voor de West-Kaap en langs de westkust tot Namibië en in kleinere aantallen Angola; langs de zuid- en oostkust minder talrijk, tot KwaZulu-Natal en zuidelijk Mozambique. Broedt verder circumpolair op Zuid-Georgia, de Falklandeilanden, Crozet, Kerguelen en de Auckland-, Campbell- en Antipodeneilanden; zwerft in de winter noordwaarts tot in de subtropen, in de Humboldt- en Benguelastroom tot voorbij de keerkring.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op vrijwel elke pelagische tocht uit Kaapstad of Simonstad aanwezig, vaak in grote aantallen achter trawlers. Vanaf de kust bij Kaap de Goede Hoop bij stevige wind geregeld te zien. Bekijk vogels met veel wit aan de kop goed: zeldzame brilstormvogels mengen zich ertussen.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De soort is een van de zeevogels die het vaakst als bijvangst omkomen in beuglijn- en trawlvisserij, ook in Zuid-Afrikaanse wateren, en de populatie is daardoor afgenomen. Ingevoerde ratten en katten op broedeilanden en verlies van broedgrond door vertrapping zijn bijkomende bedreigingen. Maatregelen zoals vogelschrikkende lijnen en nachtelijk uitzetten van beuglijnen verminderen de bijvangst.

Wetenschappelijke naam

Procellaria aequinoctialis | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Procellaria voerde hij in datzelfde werk in. Procellaria komt van het Latijnse procella, 'storm' — zeelieden brachten stormvogels in verband met stormweer op zee. aequinoctialis is Latijn voor 'van de dag-en-nachtevening', oftewel de evenaarsgordel; Linnaeus meende dat de vogel in die streken leefde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.